Onderzoekingen

Het is een naar beeld, hij wil liever niet kijken, maar hij kan zijn hoofd niet afwenden.

Het begint altijd ergens onbestending, soms gevat in een eerste zin of een beeld. Je weet niet waar je bent, maar het begin is er, je kijkt om je heen om je te orienteren, maar niets heeft enige houwvast of enige relatie, dat kan ook niet, want je weet nog niets, want je bent nog niets, niets van betekenis. Je bent als een baby die net uit de schacht geworpen is; de moederschoot verlaten;  je zou willen huilen, maar je kunt nog net de eerste wanhoopssnik inslikken en duizelen.

Hij zou graag slechts één ding willen zijn
EEN - als het zou kunnen
Zonder beslommeringen
Onderdeel van een geheel
Met een gezamenlijk doel
Maar zonder bepaalde richting

Niet tanen, voortgang is geboden
Niet over de schouder kijken
Geschiedenis is vluchtig
Het nu bestendigt
Het ware is besloten in het kleine

En overal waar hij loopt
Ziet hij lege handen
Kleine bewegingen maken

Hij draagt een kind de straat over
Het huilt zachtjes

 

Gaandeweg wordt de wereld zwarter om hem heen. Het sprankje hoop dat hij nog heeft, dooft langzaam, maar hij wanhoopt niet. Was dit het dan? Was dit het moment waar hij naar uitgekeken had? Het moment dat hij had gevreesd.

Hij gaat er nog maar eens verzitten, zijn handen gevouwen in zijn schoot, zijn hoofd voorovergebogen alsof hij in slaap is gedut, aandachtig luisterend naar zijn innerlijke stem. Maar er komt niets. Hij is gedachteloos. Hij denkt dat hij zou willen denken, maar niet wat hij zou willen denken. Laat de gedachten maar komen. Maar hij is beland bij een einde.

Jij

het gaat natuurlijk ergens over
mijn lippen verstijven
tong tegen binnenkant tanden
afwachtende pose op vergeelde foto
een lach, een schimp, een oog
de stemmen staken abrupt
ongewoon handige duikvlucht
buiklanding in het zacht gras
de sprietjes tussen jouw tenen
rand van je bloemige rok
rafelig mooi en luchtig
speling tussen je dijen
warme handen, zachtjes knijpen
een kir, een zucht, gelatenheid

 

Over de brug, het steegje in, om de hoek bij Nelis. Hij doet nooit open als je aanbelt, dat moet je zelf maar uitzoeken: soms staat het raampje op een kier, of hangt er een gekleurd touwtje door de brievenbus, een enkele keer maakt hij het moeilijker, als hij eigenlijk niet gestoord wil worden en de bezoeker er veel voor over moet hebben om binnen te geraken.

Deze bar bestaat voor 99 procent uit mannen, nee, dat zeg ik verkeerd, de vrouw achter de bar bestaat uit 99 barren, nee, de 99 barren zijn een vrouw, de bar bestaat uit de vrouw, die er achter staat en al haar barren, waar mannen bier bestellen en cognac en tikki tikki. En ze lacht en ze pracht en laat de mannen sidderen, want ze weet wat ze in huis heeft en hoeveel ze geeft. De drank vloeit en zij temt en remt. En alleen zij weet wanneer het gedaan is, wanneer zij moet afstoten en weren. Inhalen en keren.

(zonder correctie)

Zit in ieder van ons een vrouw verborgen? Man, vrouw, transgender, seksueel of a-seksueel. De moeder de hoeder. Het verzorgende, het beschermende, het gevoelige. De warme kant, vanuit de onderbuik, waar de warme gloed omhoog borrelt. Alert voor iedere emotie, alles overdenkend en vooral vooruitdenken. Alle scenario's zijn mogelijk, op elk gevaar voorbereid, niet alleen van het zelf maar vooral van de ander. Want de hoeder waakt over het kroost.

[De verschillende hoofdstukken zullen in de loop der tijd worden aangevuld / herschreven of vervangen worden.]

1. Khatia wijst. Ze wenkt naar een bewaker en wijst dan naar mij, heel even, ze kijkt me niet aan. Even is daar die vinger en een vlugge blikwisseling met de man die even later op mijn schouders zal tikken. Voor nu, zie ik haar over het rode loper naar de limousine lopen. De fotografen klikken de laatste prenten en verspreiden zich over het plein. In mijn hoofd klinken, als een echo, nog de tonen van de laatste mazurka door.

Ik zie haar rond achterwerk als ze de limo inkruipt. Als ze zit, steekt ze nog even haar krullend haar en haar rood geverfde lippen buiten de auto, haar ogen lachen uitnodigend naar me. Ik weet me geen raad. En dan wordt er op mijn schouder getikt. “Komt u maar mee, meneer”, ze wil u spreken. 

[automatisch schrift] Diep geworteld leeft de overtuiging dat energie, dat wat je bent, niet eindig kan zijn. Doch altijd loert het zwarte gat, de ultieme oneindigheid, het nihilistisch niets. Het is er altijd niet, tot het zich aandient en ook dan is het er maar even, in de overgang van licht naar duister. Dat wat we dood noemen, waar we in het algemeen het liefst indirekt naar verwijzen. Want het almachtige niets zuigt en wie te dichtbij komt is verloren. De risco's zijn groot, groter dan je kunt bevatten, en zelfs als je maar een deel begrijpt, en de consequenties inziet, zelfs dan zijn ze te groot voor je begrip. Het is niet te overzien. ook niet als je heel lang bent.

Altijd te kunnen zijn, er altijd zijn, nu, en in de toekomst. Dat wat je te vertellen hebt is te groot voor je eigen begrip, maar zal begrepen worden in een verre toekomst. Het zal worden veiliggesteld, gepubliceerd en verveelvoudigd. Maar vooreerst zal het origineel in een kluis bewaard worden.

De archeologie van de toekomst: De omgekeerde archeologie. Een excercitie zijn tol vraagt. Een expeditie die tot mislukken gedoemd is.

Het afdalen naar de ongekende krochten is niet zonder gevaar. Niet eerder was men zo diep doorgedrongen in de spelongen, de gaten die waren gevallen in het verder rimpelloze filter, toonden een choas van onkende kracht. En terwijl hij gebiologeerd naar het zwart kijkt en probeert te bevatten wat hij ziet, sluiten de gaten zonder een teken achter te laten. Hij duikelt voorover een gat in en vliegt. Er is niets.

Pagina's