Duisternis

Gaandeweg wordt de wereld zwarter om hem heen. Het sprankje hoop dat hij nog heeft, dooft langzaam, maar hij wanhoopt niet. Was dit het dan? Was dit het moment waar hij naar uitgekeken had? Het moment dat hij had gevreesd.

Hij gaat er nog maar eens verzitten, zijn handen gevouwen in zijn schoot, zijn hoofd voorovergebogen alsof hij in slaap is gedut, aandachtig luisterend naar zijn innerlijke stem. Maar er komt niets. Hij is gedachteloos. Hij denkt dat hij zou willen denken, maar niet wat hij zou willen denken. Laat de gedachten maar komen. Maar hij is beland bij een einde.

Het enige dat hij kan denken, is dat hij wil denken. Maar waaraan? Hij zit in een zwarte doos, zonder gedachten, zelfs niet ontsnappingsgedachten, want hij weet wat een uitgang is.

Was hij maar in een witte doos, dan kon hij in het oneindige staren.

En hoe verder hij dwaalt in zijn inhoudsloze gedachten, hoe minder hem duidelijk wordt wat er aan de hand is. Hij wil spelen, maar er zijn geen spelregels en er is niets om mee te spelen.

Van verveeldheid dommelt hij weg, om weer wakker te schikken van zijn eigen gesnurk.

Met zijn hand tast hij in het duister, raakt de wand van de doos, duwt ertegen en laat dan zijn hand slap in zijn schoot vallen. Hij ademt diep.

En dan breekt er iets in hem, er valt een stortvloed aan associaties over hem heen, emoties, pijnlijke gedachten en euforie wisselen elkaar in hoog tempo af.

Hij krimpt in elkaar, verbergt zijn hoofd tussen zijn knieën en begint zachtjes te huilen, de gedachten blijven hardnekkig komen, hij weet er geen raad mee, hij kan ze niet verwoorden of verbeelden, ze zijn er; trekken hem in een spiraal naar beneden terwijl hij zich hevig verzet. 

En ergens in die turbulente beweging vindt hij een moment van rust. Hij beziet zichzelf en zijn omgeving, ziet de gedachten voorbij schieten zonder te voelen wat ze betekenen,  kale zinnen met betekenisloze woorden.

‘Gedomesticeerde betracht theorieën met overloop dilemma. Onderverdeelde vermogensdelicten door tandeloze patriarchale delinquenten die in een verzuurd milieu terecht zijn gekomen.’  En zo meer.

Zelfs als hij zich erin laat glijden en een (1) wordt met de gedachtestroom begrijpt hij het niet. Hij is elke realiteitszin kwijt.

Hoelang zit hij al in deze doos? Eeuwen? Heeft hij de geschiedenis overleefd? Mogelijk. Wat er buiten de doos gebeurt is nu niet van belang, misschien is er geen buiten. Hij is gepreserveerd, geestelijk gebakend, gemummificeerd om weer tot leven te komen als de doos geopend wordt. Hij zelf heeft geen zeggenschap of invloed.

De doos is dicht. Hij zit er in en het is maar de vraag of hij werkelijk ademhaalt of dat hij dit alleen maar droomt.

Hij ontdekt al snel dat hij de gedachtestroom kan vertragen als hij zichzelf betast,  friemelt aan zijn teennagels, strijkt over zijn behaarde benen. Hij krijgt het vanzelf warm.

Ook ontdekt hij, dat als hij op zijn oogballen drukt de mooiste patronen verschijnen. Wit licht lijkt uit zijn hersenen te ontsnappen.

Hij herinnert zich dat hij in het begin veel had geschreeuwd, om hulp vooral, daarna uit wanhoop en tenslotte uit angst. Hij was er mee gestopt, het haalde niet uit.

Soms herhaalt hij de woorden die voorbij schieten. Prevelt hij zijn eigen naam. Of die van zijn moeder.
------

Hij staart in de diepe kloof, de scheur door het landschap, luistert naar de peilloze stilte, het verzengend niets. De optimistische nihilist kijkt omhoog naar het elektrisch licht, dat er niet is om het licht te schijnen op het duister, maar dat op zichzelf licht werpt op dat wat al zichbaar is; alles dat niet door het niets wordt geabsorbeerd: alles dat is.

Hij snapt dat het niet de zon is die hij ziet, hij ziet alleen dat bolletje flikkeren aan het plafond en kan alleen maar fantaseren over een sterrenhemel, het heelal, de onvatbare, onbegrijpelijke grootheid. Is kijken naar het heelal niet kijken naar de oneindigheid van je eigen gedachten? Is het uitdijende heelal een representatie van een theoretisch model van de wereld om ons heen. Meten, weten, theoretiseren, fabriceren, fantaseren en we voorspellen onze eigen werkelijkheid.

Dat is het licht.

Het duister loert, en voor iedereen geldt hetzelfde, in duister zullen we eindigen, maar zolang het licht schijnt kunnen we het afwijzen, wegdenken, negeren, en erop los leven.

Het is natuurlijk onterechte angst, want het is angst om het niets, waarom zou je voor niets bang zijn?  

(...)

E-wout duwt tegen de deur die er eerst niet was. Opengaan doet ie niet. Hij morrelt aan de deurhendel, maar de deur blijft stijf dicht. Als hij met zijn hand langs de lijst van de deur gaat, voellt hij geen relief, dan ziet hij dat de deur een tekening is en helemaal niet open kan. Hij slaat zijn handen voor zijn ogen en kijkt dan opnieuw naar de deur. Het is niet dezelfde deur. Telkens als hij wegkijkt en dan zijn ogen weer op de deur richt, is deze anders. Hij herkent de deuren. Hij is er doorheen gegaan. Hoewel hij soms twijfelt bij een deur of deze niet voor hem gesloten was gebleven. 

E-wout kruipt naar de hoek van de kubus en gaat met opgetrokken benen, met zijn rug tegen de wand geleund, zitten. Hij steunt zijn hoofd op zijn knieën en kijkt naar de deur. De deur is alles dat is, en hijzelf natuurlijk.

E-wout kijkt naar zijn handen, dan naar zijn armen, hij is verbaasd dat hij niet meer naakt is, hij heeft een zwart overhemd aan en een spijkerbroek, in zijn linkersok zit een gat bij zijn middelste teen. Hij heeft het niet meer koud. 

II
Hij realisseert zich dat de gedachte aan een deur, impliceren dat er iets achter die deur is. Hij is al verbaasd dat hij begrijpt wat een deur is, het concept deur. Want eerst kende hij alleen het begrip wand, als iets dat hem belemmert in zijn beweging. Een beweging naar wat? Een ander zijn? Iets dat buiten hemzelf is, iets dat buiten de besloten ruimte is. Hij schikt van het begrip buiten. Het is een even ruim, als eng begrip. Is daar buiten zoveel ruimte als hij kan zien in de oneindigheid van zijn eigen brein?