Kies taal

Been I

Motto:’Waarheden zijn illusies waarvan we zijn vergeten dat het illusies zijn’ ¬ (Nietzsche, Ueber Wahrheit und Lüge im aussermoralischen sinn (schlecht¬a III, p 314))  

Been I.
Geen avontuur is groot genoeg. Met als duivelskunstenaar een gestoorde clown en een eenarmige ballerina. Dat is waar we gebleven waren de laatste keer. Een verliefd stel dat gearmd door een bos wandelt en wordt overvallen door hevige paniek dat ze misschien niet voor elkaar bestemd zijn of dat ze wel voor elkaar bestemd zijn, maar nu nog niet. Er is een grens aan het begrip voor de dingen die zomaar gebeuren. Juist daar waren we gebleven en daar pikken we de draad weer op. Juist op dat moment. De gestoorde clown danst op de sintels en struikelt. Hij komt lelijk ten val en breekt een been. Dat is het moment waar het om draait: dat been, dat is belangrijk. Niet het dansen. Niet de sintels. Niet de val. Het Been. Als dat moment voorbij is, dan is alles voorbij: het verhaal, alle dingen. Het doek valt en de mensen gaan teleurgesteld naar huis. De muziek was mooi, zo ook het decor, maar het spel, oh het spel. Het was...

Het vervolg kan zich ook ergens anders voltrekken. Op straat, als Clown steunend op de ballerina naar huis gaat om te rusten, of in het ziekenhuis als het been weer pijn gaat doen. Het kan ook een vervolg hebben in een schoenenwinkel als Clown een nieuwe clownsschoen nodig heeft. Wie weet? Het vervolg is een feit zolang het Been. Er is geen vervolg als het been onder de zoden. Daar waar Been is, is een vervolg. Neem dat van mij aan. Ook als het gaat vervelen gaat het verhaal door. Het lijkt zich aan alle kritiek te onttrekken en laat zich vooral niet leiden, dat vooral niet. Alleen de ballerina, die wel. Soms beginnen we ergens anders: langs de vloedlijn. Als de ondergaande zon nog weerspiegeld wordt door het water en de nostalgie toeslaat bij de eenzame wandelaars als ze weer een dag zien verdwijnen waarin niets noemenswaardigs is gebeurd. Daar treffen we ook de treurnis wekkende optimisten aan die het ondergaan van de zon aanzien voor een magisch ritueel. Zij wensen de zon een goede reis toe en een gezonde terugkeer van de andere kant van de aarde. Sloffend door het mulle zand of blootsvoets de scheidingslijn tussen land en water voelend zijn daar de benen te vinden. Kenners weten dat het zand tussen de tenen kleeft. En dat teer de voetzolen. En dat schelpen. Het ligt aan het strand. Het ligt aan de zee of oceaan. Want soms zijn er stenen. Of alleen maar schelpen. Soms stenen en zand en schelpen. En hoe de voeten betreden ligt aan het strand, en aan het weer, en aan de gevoeligheid van de voeten. Op een schelpenstrand kan men beter niet stampen. Iets anders: een ander begin. Een nieuw begin. Laat het in ieder geval een beetje verschillen van het vorige. We kunnen wel denken dat alles anders kan. Opnieuw: we waren al in het park en op het strand. Wat overblijft is de wereld. Waar alle benen lopen, schoppen, rennen, zwemmen, haken, struikelen, hinken, stinken. Waar ook de tenen zijn, want wat is been zonder voet en voet zonder tenen? Kenners weten dat lopen niet zonder tenen, maar boze tongen beweren dat het toch. De voeten weten wel beter. Tien tenen spelen in een door de zon verwarmd plasje regenwater. Het lijkt een vrolijk spel, maar oh zo serieus. Waar tenen wiebelen, of tenen kriebelen of wanneer ze krommen. De tenen doen niet onder voor de vingers, hoewel vaak anders gedacht wordt. Men zal als argument aanvoeren dat je met je tenen niets. Maar pedicuristen of voet-fetisjisten weten anders te vertellen. Mooie voorbeelden als grote teen in mond of de schoonheid van een kromme teen en niet te vergeten ingroeiende teennagels. Paris wist er alles van al was zijn specialisatie pees. Maar dit terzijde. En zie: weer een nieuw begin. Op je hielen lopen, hielen likken, iemand je hielen laten zien. Nieuwe schoenen, blaren op je hielen. En halverwege de voettocht, -het reisdoel doet nu niet ter zake Amsterdam, Mekka, Rome of Santiago de Compostella- beginnen de benen vermoeid te raken. Ze eisen rust en wel onmiddellijk. Een rustig stromend bergbeekje met koud smeltwater doet wonderen. En het zachte mos tussen de varens brengt rust hoewel de benen weten dat er van terugkeren geen sprake is, dat er nog een lange tocht voor de boeg ligt, met veel blaren, schrammen en andere verwondingen. Op een onverwacht moment kan het noodlot toeslaan. Een uitstekende steen op het pad, een stuk glas, desnoods een roestige spijker, het kan allemaal. De tocht moet hinkend worden voortgezet.

De ballerina treurt om het verloren been van Clown. Het rouwproces is nog niet ten einde hoewel Clown al grappen maakt over haar ene arm en zijn been. De ballerina kan er niet om lachen. Ze vindt de grappen te macaber. De clown heeft een ebbenhouten been, liever had hij eiken. Een boze droom. Nadat het van het vlees ontdaan is blijft Been op het hakblok liggen. Een kok had er nog soep van kunnen trekken. Er had lijm van gemaakt kunnen worden en zelfs had het als wapen kunnen dienen. Het blijft liggen op het blok tot een overijverige schoonmaker. Daar staan de beenderen van Been tussen etensresten klaar om op de grote afvalhoop te verdwijnen. Middelvoetsbeentjes keurig naast elkaar, de knieschijf naast het dijbeen, het scheenbeen bovenop. De botten van de tenen missen, omdat de kok de tenen als kippepootjes op het menu heeft gezet. Bijna al het vlees ging in de goulash en een deel ging in de soep.

Te beginnen bij het einde, dat is immers het belangrijkste deel van het verhaal, daar wordt naartoe gewerkt. Daar is de climax of de anticlimax. De boog is gespannen, de verwachtingen zijn hoog. Toch eerst een aantal feiten om de spanning op te voeren. 1. Ik houd mijn poot stijf; 2. Achter elk woord zindert een betekenis (al willen we die niet altijd kennen); 3. De dingen zijn zoals ze zijn. Zijn dat de voorwaarden, dan moeten we het daarmee doen. Maar voor het werkelijke verhaal verteld kan worden toch nog even dit. De tragedie van Been. Het verlies was onvermijdelijk. Beter was het geweest als Been weer aangezet was, de medische technologie staat voor niets, maar het was Clown zelf die zei: ‘twee been is geen Been, op één been kan men ook lopen,’ waarna hij in lachen uitbarstte. De dokters en verpleegsters waren wanhopig, maar Clown was niet voor rede vatbaar. Het verhaal kan een vervolg hebben. Het zou nu kunnen volgen, na de dubbele punt: het verhaal raakt kant nog wal. De woorden hebben een andere betekenis gekregen. Dat is waar alles om draait.

Been haalt uit met een onstuitbare kracht, totdat de voet steen treft. De energie van Been verdwijnt in de steen. Been komt tot rust na uitgezwiept te zijn, maar de steen. Het verhaal kan twee kanten op (een keuze uit vele mogelijkheden). We volgen de steen, met het gevaar dat het verhaal doodloopt in een greppel. Of we blijven bij Been, dat even moet bijkomen van de confrontatie met steen, maar de voettocht voortzet, hinkend weliswaar. Been biedt meer mogelijkheden dan steen. Of bedriegt de schijn? De steen. Na even door de lucht gevlogen te zijn verliest de steen wat van zijn energie en stuitert op het asfalt van een binnenweg. Het rolt een klein stukje en blijft midden op de weg liggen. Einde verhaal. Oh nee, nog niet. Een wiel van een vrachtwagen komt met grote snelheid op de steen af die voor een kort moment geklemd komt te zitten tussen rubber en asfalt, nieuwe energie meekrijgt en met een enorme klap in de berm verdwijnt. Einde verhaal. Alleen de dood van een meikever is nog noemenswaardig. Deze werd geplet tussen steen en aarde.

Been.
Been maakt een danspasje en vervolgt vol energie de weg. Waarheen leidt de weg en waarom? Been heeft een voorspoedige reis. De reis is een verhaal, het verhaal is de reis, maar er is geen avontuur. De grond waarop Been loopt verandert: sintels, asfalt, kinderhoofdjes, gras, zand, mos, tegels, klinkers, beton, plastic, aarde, kiezels, basalt, rotsen, eeuwige sneeuw, ijs. De omstandigheden veranderen, Been blijft een been. Slechts de schoen slijt. Waar is het verhaal? Waar is het grote avontuur?

De houten poot van Clown is gebroken. Ebbenhout bleek toch niet stevig genoeg. Deze maal moet de ballerina lachen. Zij lacht om de gezichtsuitdrukking van Clown. De hoeken van zijn roodgeverfde mond hangen treurig naar beneden. De ballerina maakt een pirouette om Clown op te vrolijken, maar raakt uit haar evenwicht en valt plat op haar gezicht. Daarop begint Clown onbedaarlijk te lachen en ondanks de pijn is de ballerina blij. Aha! Wat is Been? Om het voor eens en altijd duidelijk te stellen: Been is been, dat is wat het is. Lees voor Been wat het is. Keer op keer dezelfde beweging. Als de golven van de zee eens anders bewegen. De wrok van de opeenvolgende beweging ten opzichte van de vorige en de volgende. De draai rond de as. Een wenteling keer op keer. Een wiel dat hobbelt over een stenig pad. Het horloge aan de arm van een lelijke jongen, zijn aandacht is slechts gericht op zijn pols, waar zijn enige schoonheid schuilt. De mensen weten. Zelden zal de roos gedacht hebben dat haar schoonheid gebruikt wordt. Zij is de maatstaf der dingen zonder dat te willen. De jongen ten spijt. Er wentelen vele dingen rond hun as. Er is geen raakvlak, er zijn slechts punten, die door onzichtbare lijnen met elkaar verbonden de immer veranderende connecties vormen. Alles draait, alles beweegt. Alsook een vlieg die gedachteloos door de kamer vliegt en blijft hangen boven de honingpot: de onweerstaanbare zoetheid. Het uiteinde van een tak zou graag zelf boom zijn. De aardschors schuift een stukje op en maakt plaats voor de zee die last heeft van expansiedrift. Zuiderzee wil Noordzee worden en andersom. Lucht wil water zijn en gedachten woorden.

Dientengevolge geeft een officier het bevel tot terugtrekken, de manschappen, één voor allen, allen voor één, zijn volledig van de kaart. Zij waren aan de winnende hand. Hier is sprake van omkoperij, zwendelarij. Morrend trekt de linie zich terug, wat de vijand wil lijkt wet. Stoom rijst op uit de pan, een zure geur verspreidt zich, het water loopt in de monden, zullen ze gevoed worden? De bomen laten de kou gelaten over zich heenkomen. Het gebladerte heeft zich laag bij de grond verzameld en vormt de schoenen van de bomen. Het lijkt niet uit te maken dat de winter komt. Het einde nadert, tijd voor een nieuw begin. De soldaten weten het. Zij hebben hun lange onderbroeken tevoorschijn gehaald. Ook de jongen weet, hij heeft zijn muts al klaarliggen. De rimpels op de kop van de hond trekken samen, hij blaft tweemaal alvorens in slaap te vallen. De toevoer van voedsel is gestaakt en lange tijd zal men moeten wachten op de warme zonnestralen. Het groen bruint. Blauw wordt grijs. Droog wordt nat. Zo is het. Steek de kachels maar vast aan en haal de kaarsen uit de kast. De tijd voor contemplatie is aangebroken.

En dan dit. Voor eens en altijd de vogels in de bomen, de vogels in het riet. Wat dan volgt is minder van belang, doch interessant genoeg om te noemen: een kader van hout, met daarachter, -niet voor iedereen zichtbaar- een schilderij, een schilderij van glas, een schouwspel vol eigenaardigheden. Een constant aan verandering onderhevig spel van kleur en vorm. Een spel om te aanschouwen, niet om het spel, maar om de beweging. Als het een raam was zou ik niet zo verbaasd zijn.

En dit: als de glazen voor mijn ogen zwart waren zou ik niets kunnen zien. Ach, het is nog niet ten einde. Er zijn nog ontelbaar veel vertellingen. Ik noem er slechts een paar. De Man Die Maar Eén Hoofd Was, Het Meisje Dat Alleen Maar Huilen Kon, Boom Zonder Bladeren. Allen zijn het delen van de grote geschiedenis. Ze zijn doorspekt met symboliek en doen sterk verouderd aan. De moeite van het vertellen zijn ze niet waard. Wel belangwekkend is het Grote Verhaal. Het is geen ellenlange vertelling waarbij de toehoorder in slaap dreigt te vallen. Als het verhaal ten einde is klapt men in de handen of men joelt de verteller uit, een tussenweg is niet toegestaan, evenmin het druilen; het doet de toehoorder eer aan oprecht te zijn. Ik hoor de vogels fluiten. Een eenzame ezel balkt. Roerloos zijn de bomen en pijnlijk is de eenzaamheid.

Vrij vertaald vertellen de vogels over een verre reis die ondernomen gaat worden, over een week verzamelen bij de oude eik nabij de kreek, want de populieren zijn niet meer. De hond kijkt vol afgunst omhoog. Hij weet dat verre reizen niet voor hem zijn weggelegd. Even is daar de zon te zien die de vogels de weg wijst. En de eenzame ezel balkt. Ik stel mij voor dat de wereld is zoals ik denk dat zij is, dat is alles, niet meer. En even zo goed als mijn voorstellingsvermogen beperkt is, zo ook de wereld.

Met grote trefzekerheid bepaal ik de wereld. Ik roem de grote dingen en vereer het kleine. Veel verder kom ik niet. Veeleer zijn het de vertellingen die het hem doen.

En zie! Droge bladeren vormen een bed waarop een mooie vrouw. Zij slaapt niet, zij waakt niet, zij is een mooie vrouw. Ze ligt op haar buik of op haar rug. In ieder geval is zij naakt, niet als een pasgeboren baby, dat vooral niet. Zij is een mooie vrouw en ligt naakt op een bed van droge bladeren. Het is een mooi beeld, maar nog geen vertelling. Die komt later als er dingen gebeuren, misschien als er regen. Later meer. Een vertelling kan zich aanbieden en een beeld blijken te zijn. Uit beelden vormt zich de vertelling: vertellingen over de zon en de maan. Ook het verhaal is nog niet ten einde. Ook een eenbenige clown kan verre reizen maken. De omgeving verandert, Clown niet. Misschien heeft hij een kunstbeen en heeft hij zijn clownsschoenen verwisseld voor een paar stevige stappers. De gestoorde eenbenige clown en de eenarmige ballerina, zij zijn nog steeds tezamen, vooralsnog. Het is een mooi stel, het is een vrolijk stel, ook in moeilijke tijden. Ik zie wat het geval is. Het vervolg is een feit, er volgen vele feiten. Dat Clown. Dat de ballerina. Dat Been. Dat, en nog veel meer, teveel om op te noemen. Clown en Been doen goede zaken. Clown treurt, de mensen lachen het geld uit hun beurs. Clown eet, ballerina eet en Been. Het verhaal gaat door, het verhaal gaat verder. Maar niet eerder dan. Been. Ooit op het hakblok. Been is. Tot zover Been.

Zij is een mooie vrouw en ligt op haar buik naakt op een bed van droge bladeren. Haar billen wijken: zij laat een scheet.

Met één hand bespeel ik de wereld. Met de andere bescherm ik mijn gezicht. De vlieg daalt neer op de rand van de honingpot, vliegt daarna naar mijn theekop en weer terug. Ik verlaag mij niet de vlieg weg te jagen. De gestoorde clown wankelt op zijn been en wordt snel ondersteund door de ballerina. Clown lacht. Waar is zijn been? Het been ligt achter hem in de greppel, daarnaast de steen. Been en Steen ze hebben iets gemeen. De ballerina kijkt, maar ziet niet. Clown wel. Steen en Been in één vertelling. Er is geen eind aan het verhaal van Steen. Alle schijn bedriegt. Onder Steen de meikever. Steen is graf. Het verhaal kan alleen een vervolg krijgen als Clown Steen, samen met Been. Het vervolg ligt in de handen van Clown. Clown lacht, Clown huilt en Been én Steen, de ballerina ook, een beetje. De kraaien vliegen naar het noorden, het wordt warmer. Zwarte ogen, zwart omlijnd draaien in de oogkassen en verwarren het publiek. Van achter uit de zaal klinkt eenzaam handgeklap. Langzaam groeit applaus. De zwarte ogen dansen een wilde dans, een dronkemansdans. (Tussenwerpsel:) In de coulissen staat een potkachel te snorren. (Einde tussenwerpsel) Het publiek blijft eindeloos lang in extase. Het weet van geen ophouden, zo ook de ogen. Zo aanstonds zal het doek vallen en dan is de act ten einde. Dan beginnen achter de gordijnen de voorbereidingen voor de laatste act. De eenbenige clown, hij is gestoord, zal zijn wereldberoemde act ‘Staandebeens’ voor de laatste maal opvoeren. De ballerina zal voor de act een dans uitvoeren op muziek van Half Mendoza Diesz, een onbekend en veel te jong gestorven Spaans componist uit de vorige eeuw. Na de voorstelling zal er een besloten receptie plaats vinden ter gelegenheid van deze droevige gebeurtenis. De zaal is in spanning. De zaallichten zijn nog aan, maar een loopjongen is al onderweg met de mededeling: ‘nog één minuut, Clown en ballerina.’

Later als het licht in de zaal uitgaat. Nog niet iedereen zit op zijn plaats. Het doek vertoont nog enige beweging van toneelknechten en de toneelmeester legt nog de laatste hand aan het decor. Hij heeft tranen in zijn ogen die hij snel wegveegt voor iemand het kan zien.

Dan. In het voorbijgaan de mooie vrouw die op een bed van droge bladeren ligt, zij verroert zich niet.

Waar zijn we gebleven? Daar en overal. Er zijn vele mogelijkheden. Een jongen met een horloge. Een linie van soldaten in aftocht. Vogels die tjilpen, lange nachten, maar vooral Been. Altijd weer. Been is overal en altijd. Een terugblik. Been is Been, voor Been kan men alles lezen. Been is één. Alles wat is. Alles wat het geval is. Natuurlijk behoort ook Clown en dienaangaande de ballerina. Staandebeens. De voorstelling. De act. Dat wat gaat gebeuren. Dat wat staat te gebeuren. Deswege het publiek. Alles wacht, behalve Clown en Been. Clown kijkt terug op vervlogen jaren, even maar, heel even. Ook kijkt hij naar ballerina en Been, omdat en vooral daarom. Dan het podium. Dan het doek. Dan het publiek. En Clown en later ook, niet veel later: de ballerina. Eerst een dansje. Ballerina danst. Het publiek applaudisseert beleefd. Balerina af. Alleen Clown. Clown in spotlicht. Alles wacht, want Been. Eerst staandsvoets, dan staandevoet. De spanning gaat door merg en been. Dan is Clown staandebeens en alles is voorbij. Alles is nog niet verloren. Als er een wil is, is er een vervolg. Dat blijkt. Van alle beelden zijn er een paar uitverkoren. Eenmaal een beeld dan moet men het recht doen, dat is een feit, zoals het de kleermaker betaamt de pantalon af te maken als hij er aan begonnen is, ongeacht de maat.

Vertel over de voeder! De Voeder voedt. En dan bracht de Voeder voedsel en iedereen was blij en gelukkig. Maar als de Voeder telaat of niet, dan maakten zij stampei. De oude boer vertelt over de zwaluwen, hoogvliegend of laagvliegend, dat maakt uit, zo zegt de oude boer. Terwijl de boer vertelt eten zij gerust een heel speenvarken, met kop en staart en ook de poten. De oude boer wil in ruil voor zijn vertelling alleen de neus van het varken. En zo geschiedt. Hij neemt de neus mee voor op brood, zo zegt hij en hij vertrekt, met neus. Als hij nog meer verhalen heeft dan moet hij maar terugkomen. Dat zeggen de van het vet druipende monden. En dan de Voeder. Die houdt zich op in besmuikte kroegen en drinkt zich een delirium, zoals het hoort.

Terloops een naar het midden vliedende kracht. Kijk! De massa beweegt. Altoos doldriest. Het droeve bestaan van de ongekende mogelijkheden laat zich niet in woorden uitdrukken. Immer moeten zij lijdzaam toekijken hoe vele mogelijkheden benut worden terwijl zij het zoveel beter zouden doen. Er is een kolkende massa waarin de ouden vertellen. Vergeten verhalen, mislukte vertellingen. Droog brood en zuur bier. Rommendomtom de ware verhalen. De waarheid besloten in een simpele vertelling, maar de oren staan faai. Er heerst een gelaten stemming. Somtijds moedeloos en ten overstaan van anderen wordt een achtergedachte met ophef rondverteld in euvelen moede. De geesten moeten klein gehouden worden. Kranig krakende kraaien. Fidaldiedom, fidaldiedee.

‘Je moet maar troubadour worden,’ zei de moeder tegen haar jongste. Van de vijf zonen hadden vier een ambacht gevonden en waren in dienst bij een meester. De jongste keek lelijk op zijn neus. Daar kun je geen gouden dukaten mee verdienen, zo zegt hij zijn moeder die hem meteen een oorvijg verkoopt. Dat zal ik haar betaald zetten, denkt de Benjamin bij zichzelf. Hij koopt voor een paar koperen stuivers, zijn spaargeld, een brood en een elektrische gitaar. Hij trekt in gezelschap van zijn hond de wijde wereld in. De dagen loopt hij, de nachten slaapt hij. Soms kiest hij het gezelschap van een marskramer, maar vaak is hij alleen met zijn hond. Na twintig dagen gelopen te hebben ziet hij in een dal iets dat lijkt op de grote stad. Zijn hart begint aanstonds sneller te kloppen en vol moed zet hij de pas erin. De gitaarversterker weegt zwaar op zijn rug, maar dat deert hem niets. Bij de stadspoort wordt hij staande gehouden door een dikke soldaat die de wacht houdt. ‘Wat moet?’, zegt de dikke soldaat die stinkt naar droog brood en zuur bier. De jonge troubadour antwoordt gewichtig ’Ik heb grote verhalen bij me voor uw heer en meester’. De dikke soldaat die een neus heeft als een rotte aardbei begint onbedaarlijk te lachen. ’Scheer je weg’, roept hij als hij uitgelachen is. ‘Wij hebben geen elektriek.’ Daar had de troubadour niet aan gedacht en beteuterd druipt hij af. De tragiek van een te vroeg geboren troubadour.

Het moment was gekomen. Het had op zich laten wachten. Het had al een paar keer om de hoek van de deur gekeken of het wel het juiste moment was. Kortstondig was het in paniek geraakt omdat het dacht dat het te laat was en een juist moment komt nooit telaat. Zij is een mooie vrouw en ligt op haar buik op een bed van droge bladeren. Zij is mooier dan voorheen. Kijken. Kijk! Ze beweegt. Ze komt overeind en kijkt verbaasd om zich heen. Haar handen glijden over haar lichaam, haar gezicht straalt, ze betast haar volle borsten en... Het is een kuis verhaal van een jonge mooie vrouw die naakt op een bed van droge bladeren zit en verbaasd om zich heen kijkt. Haar handen glijden over haar benen, betasten elke vierkante centimeter van haar lichaam, behalve haar rug. Haar vingers. Ze ligt op haar rug, haar benen opgetrokken en haar hand, oh haar hand doet zulke mooie dingen. En boven de wolken niet zichtbare taferelen van reizende vogels. Diep in het woud slaapt de Diafaan een schone slaap. Een terugkeer is altijd moeilijk. Overal schuilt gevaar en dikwijls stuit men op moeilijkheden. Een steen op het pad die het wagenwiel breekt, of struikrovers die er niet voor terugdeinzen hun slachtoffer de keel door te snijden voor een paar grijpstuivers. Ontwijk donkere wouden! Hoort men schreeuwen om hulp vermijd de plek des onheil, als uw leven u lief is natuurlijk. Een plotselinge onweersbui kan zandwegen in modderstromen doen veranderen. Pas vooral op voor wilde dieren, er doen verhalen de ronde dat wolven, dat beren, dat everzwijnen. Vooral kleine kinderen zijn slachtoffer. Neem dat maar aan. Het is geenszins de bedoeling dat men gehavend huiswaarts keert.

De Voeder slaapt zijn roes uit. De soldaten zijn terug in het kamp. De vogels reizen. En Been. Tja, Been. Het blijft trappen en stappen. Een oorverdovend geluid is te horen vanuit een slaapkamer. Het was een treffende trap. Een vrouwenbeen tegen de schenen van een zwaar behaard mannenbeen. Gejuich stijgt op uit de wereld van Been, daar was er weer een raak. Ideeën, ideeën, ratelende, vallende spinsels van dagdromen. Groene dromen, gele dromen. Het zijn merries in de nacht. Wervelende en golvende. Daar gaan ze! Kijk. Kijk! En daar zijn ze weer. Weg. Weg. De kronkels kruipen door elkaar, vormen een kluwen en dreigen in een afgrond te verdwijnen. Dreigt het een sprookje te worden? Dromen, dagdromen, trage dromen, snelle dromen. De tijd lijkt ongevaarlijk dichtbij. Al de verenigbare dingen en niet-dingen. We trachten de wereld te begrijpen, almachtigen, aanmatigenden! En de vogels vliegen af en aan, van boom tot boom. Tierlantijnen en mooie verhalen bij een knappend haardvuur zijn niet te verwachten. Geen schone schijn. Neen, geen achtergedachten die met veel bravoure de wereld in worden geslingerd. Nee, dat niet. Laat maar zien waar de waarheid zich schuilhoudt, laat het maar horen. Laat ze maar zien en huiveren. De perverse gedachten laten weerklinken ten overstaan van allen. Ogen laten springen, ogen verblinden. Met de schoonheid de gedachten verbrijzelen en. Fiedaldiedom. Slijmerige slierten hangen voor de ogen. Horden wilde paarden door mijn kop. Wat moet? Wat is daar gedaan...? En dan stopt het. Net voor het te laat is en iedereen is blij en gelukkig komen de manden met broodjes tevoorschijn en wordt er weer lustig aan het vat met wijn gehangen. Lachen. Gieren. Brullen en de zon schijnt en alle vogels tjilpen vrij en ook. Daverend applaus weerklinkt uit de verte, aan de andere zijde hoongelach. Er gebeurt in elk geval wat. We kunnen het horen. We kunnen het zien. Wat zien we: een akelig net meisje op een nieuwe fiets die door een groezelige vrachtwagen omver gereden wordt. Zo lijkt het. In werkelijkheid wordt ze onder de dikke wielen van de tientonner verbrijzeld. Overal bloed, ingewanden. Het hoofd rolt over het trottoir een spoor van bloed achter zich latend. En wat zien we? Het bloedend hoofd lacht. Het lacht.

Om beurten en geen van ons kan de ogen openhouden tijdens de slaap. Waar of niet waar? Dat is de keuze. En we zien nog meer, meer dan we eigenlijk in staat zijn te zien. Dat is waar alles om draait. We wenken naar een ober en bestellen nog een bier. Wat zal het wezen? Een Brigand, een Duvel of willen we subiet dood? De vragen blijven en met de antwoorden is niet veel gedaan. Nog een slok en nog een. Het glas is leeg, de dorst is groot. Ober doet ons er nog maar een. We drinken graag en met volle teugen. Dat zal u deugen. Nee, schrijf het maar op, we hebben een kerfstok. Zuur bier en droog brood, dat is ons maal. Het zal ons wat wezen. Onze tijd zal nog komen. Weest op uw hoede moeders, houdt uw dochters binnen. En de waard kijkt meewarig vanachter zijn tap naar dit vermakelijk tafereel en lacht schamper. Als het bier maar schuimt denkt hij bij zichzelve.

Witte wanen, zwarte wanen, wie gaat er mee naar Engeland varen? De Voeder zegt: ‘hoeveel voedsel moet er mee?’ De Eter zegt: ‘zoveel als we kunnen dragen.’ De Veelvraat zegt: ‘veel worsten... en spek en zwart brood en hardgekookte eieren en boter en.’ De Drinker zegt : ‘en wijn en Palinka.’ De Voeder zegt: ‘water is beter tegen de dorst.’ De Drager zegt: ‘wijn en Palinka en water.’ ‘Nou goed dan,’ zegt de Voeder.’Als het koud mocht worden is Palinka een aardige opwarmer.’ De Geheelonthouder (hij rookt wel) krijgt een grauwe waas voor de ogen en met klagende stem verkondigt hij: ‘Maar met mate.’ ‘Ja, ja,’ sust de Drinker, ‘met mate. We hebben een lange reis voor de boeg en we willen niet dat halverwege alles op is.’ De Voeder lacht. Zo ook de anderen. De Eter bijt in een wortel en zegt al kauwend: ‘Vergeet de kaas niet!’ Bepakt en bezakt kan de reis aanvangen. De vrouwen die achterblijven laten een traan, maar keren zich al snel om als de reizigers uit zicht zijn verdwenen, om bij een glas zuur bier plannen te smeden. Wat zal het leven rustig zijn zonder die zeurkousen. De reizigers zetten er flink de pas in. Een goed begin is het halve werk, had de Voeder gezegd voor vertrek. De magen zijn goed gevuld dus stoppen om te eten is er voorlopig niet bij. ‘We lopen tot de schemering,’ roept de Drinker, nog vol goede moed van voor in de gelederen. ‘Nee,’ zegt de Voeder. ‘We stoppen eerder om een kamp in te richten.’ De Eter knikt instemmend. Er wordt gelachen en gepraat. De Drager doet of de proviand niets weegt. Hij weet dat naarmate de reis vordert zijn bagage lichter. De Veelvraat loopt achteraan en kijkt begerig naar de worsten die uit de bagage van de Drager steken. De Voeder ziet (de Voeder ziet alles) en kijkt hem bestraffend aan. De Veelvraat kijkt naar zijn schoenen. De Voeder lacht. Deze reis zal ons nog lang heugen, denkt hij. Al snel komen ze andere reizigers tegen. Sommigen beter, anderen slechter georganiseerd dan zij. Bij allen zit de sfeer er goed in. De Voeder draagt er zorg voor dat de groep bij elkaar blijft door zo nu en dan pinda’s uit te delen. Na een halve dag lopen stopt de groep. De Voeder loopt alleen door en kijkt verbaasd om als hij zijn metgezellen niet meer hoort. ‘We willen pauze!’ roept de Drager hem toe. De Voeder wil geen pauze, maar weet dat hij niet alleen verder kan. Hij loopt terug zeggende: ‘Goed een kwartier pauze, meer niet, geen voedsel, ik voed niet!’ Allen kijken beteuterd want de andere reizigers worden gevoed door hun Voeder. Ze gaan zitten in de berm. ‘We kunnen een lied zingen, ‘oppert de Voeder die de moed erin wil houden. ‘Geen liederen zonder drank,’ zegt de Drinker die alleen drinkeboersliederen kent. ‘Een kwart uur is te kort voor een vertelling,’ zegt de Voeder resoluut. ’Of een lied of niets!’ Allen zwijgen en kijken naar de andere reizigers die naast hen in de berm stukken kip, brood en wijn verorberen. De Veelvraat voelt het water in zijn mond lopen. Hij alleen zou al een heel varken opkunnen. De geheelonthouder rookt als enige een sigaret en verlangt stiekem naar een glas wijn. Hij bloost bij de gedachte. De Drinker klopt hem bemoedigend op zijn schouder. Abrupt staat de Voeder op. ‘We gaan,’ zegt hij, want hij ziet dat een vreemde, hongerige reiziger bij hen komt zitten. Hij wil de voorraad nog niet aanslaan. Morrend komen de anderen overeind, de Veelvraat als altijd als laatste. De Voeder geeft hem in het voorbijgaan een pinda. Carpocratianen, manicheeërs, montanisten, gnostici, euchieten, katharen, bogomielen, Waldenzen, henricianen, apostolici, Luciferianen, adamieten, heksen, tovenaars, druïden, narren, dollen, komen in een zwijgende stoet voorbij. Temidden van de stoet rijdt een woonwagen mee, voortgetrokken door twee ezels. Op de zijkanten van deze bont beschilderde wagen staat in gouden letters geschreven: ‘Seminem in ore’. De Voeder is ongerust. Hij ziet dat de avond gaat vallen, maar ze hebben nog geen plek gevonden om het kamp op te zetten. Al de hele middag lopen ze over de hoofdweg door een droge kale vlakte en er is geen uitzicht op enige beschutting. De Voeder weet dat ze pas tegen de tijd dat het donker wordt het grote woud waar de Diafaan danst zullen bereiken en dan is het eigenlijk al te laat. Hij maant de groep sneller te lopen, maar de benen zijn moe en de magen zijn leeg. Pinda’s helpen niet meer. De groep is nog een van de weinige die loopt. De overige reizigers hebben al veel eerder kamp gemaakt. Achter hen stijgen rookpluimen op in het landschap en de wind neemt bij vlagen de liederen mee die rond de kampvuren worden gezongen. De Voeder ziet dat de Veelvraat en de Eter en de Drinker achterom blikken en verlangend luisteren naar het feestgedruis. De Drager kijkt hem met vermoeide ogen aan. De Voeder knikt bemoedigend, maar weet dat er niet veel kracht meer van hem uitgaat. Ze moeten rusten. Hij tuurt over de vlakte. ‘We gaan van de hoofdweg af,’ zegt hij. De Geheelonthouder kijkt hem verbaasd aan. ‘Van de hoofdweg af, is dat wel verstandig?’, zegt hij. De Voeder knikt. ‘Als we voorzichtig zijn is er niets aan de hand. We moeten wel bij elkaar blijven.’ De reizigers kijken elkaar met blikken van verstandhouding aan. Bij enkelen is angst in de ogen te lezen. De Voeder kiest een geschikte plek en blijft dan staan. Hij wijst naar de berm. ‘Hier gaan we er af, maar eerst moeten we op krachten komen.’ Hij trekt een fles Palinka uit de zak van de Drager, ontkurkt de fles en geeft deze aan de meest angstige van het stel, de Veelvraat. Voordat deze de fles aan zijn mond zet kijkt hij alle leden van de groep veelzeggend aan. Een voor een nemen zij een teug, behalve natuurlijk de geheelonthouder en laten het scherpe vocht hun moed inpraten. De Voeder neemt als laatste de fles aan, maar drinkt niet. ‘Ik bewaar mijn deel voor bij het kampvuur, ‘ zegt hij de fles opbergend. Als eerste stapt de Voeder uit de berm. Met een stok port hij in de zachte, donkere aarde. ‘Het is veilig,’ zegt hij opgelucht. ‘Stap maar in mijn sporen.’ Enkele reizigers blijven staan kijken en schudden meewarig het hoofd als ze de groep op de akker ziet verdwijnen. ‘Die zien we niet meer terug’, zegt een reiziger die veilig op de hoofdweg blijft.

Met snelle scheden vervolgt hij zijn weg. Op een kruispunt van wegen had hij staan wijfelen. Misschien moest hij naar links afslaan, misschien naar rechts. Hij was rechtdoor gelopen zonder om te kijken, met de blik strak voor zich uit gericht. Het Been, het Been gaat er door hem heen en vele andere gedachten tollen er omheen. Hij kijkt niet naar de vrouwen die naar hem lonken. Hij ziet niet de kleine kinderen die hem schreeuwend in het kielzog volgen. Ook ziet hij niet de man die zodra hij de rijzige gestalte ziet aankomen, in een steegje duikt om zich in het duister te verschuilen. Daarom ziet hij ook niet dat de man een langwerpig pakket onder zijn arm gedrukt heeft. Hij had zijn zoektocht kunnen staken. De man een Been lichter maken, het been, het been! De ogen van de man in het steegje volgen de lange statige figuur die met grote passen aan de overzijde van de straat voorbij komt lopen. Het been drukt hij stevig tegen zich aan, het is warm. Als hij de lange statige figuur niet meer ziet komt hij tevoorschijn en maakt zich gehaast uit de voeten. Tezelfdertijd ontwaakt de mooie jonge vrouw op een bed van droge bladeren weer. Ze kijkt verwonderd om zich heen en slaakt een korte gil als ze merkt dat ze naakt is. Haar volle borsten, haar stevige dijen, haar bevallige voeten, haar lange blonde haar en dat alles onbedekt. Ze zoekt naar een kleed maar vindt er geen. Ze bedekt zichzelf met de droge bladeren en valt weer in slaap.

Als hij al van plan was het been af te staan dan alleen voor klinkende munt. Hij zou het zich het been niet laten afnemen door de eerste de beste voetfetisjist of mankepoot. Nee, het been was zijn been en dat zou het blijven. Dat hij niet weet dat het Been Clown toebehoort kan men hem niet kwalijk nemen. Hij heeft het voor vijftig dukaten in het Brokkenhuis gekocht en was zich meteen bewust van de grote waarde. Direct na hem had een lange statige figuur naar Been gevraagd. De beendorre vrouw had nee moeten verkopen. Thuisgekomen legt hij het been op de tafel en begint het voorzichtig uit te pakken. Hij lacht om zijn aanwinst. Het been ziet er puntgaaf uit, zelfs het bot van het dijbeen dat uit het rode vlees steekt is in perfecte staat. Hij schat het been op rond de dertig jaar oud. Het is mooi gespierd en licht behaard, de voet is van ongekende schoonheid. Daarbij vergeleken zijn zijn voeten miezerige stompjes. Zachtjes aait hij de tenen. Nu heeft hij dit been, met deze voet en hij voelt zich gelukkig. Trots zet hij het been op de schouw en bewondert het van een afstand. ‘Morgen koop ik een sok en een schoen’, zegt hij voldaan. En als de waarheid waarheidt, dan. En als de leugen leugent, dan. Met veel woorden gesproken, weinig gezegd Het is de zwijgende massa die de waarheid spreekt, ongewild en onwetend over de grote gave die zij bezit. Slechts weinigen kunnen horen, slechts weinigen kunnen zien dat wat gehoord moet worden, dat wat moet worden gezien.

Dan komen de wasvrouwen met manden vol broodjes en worsten. Het feest kan beginnen. Met veel smaak worden de broodjes en worsten verorberd. Met wijn spoelen wij de kelen en zingen we gorgelend over de mooie jonge meisjes en meer wijn. Allen verlangen we naar grote koele borsten met kleine tepels en we willen dansen de hele nacht en ‘s morgens wakker worden in een vreemd bed. De wasvrouwen zijn niet jong en mooi meer. De wijn maakt ons loom, het blijft een droom en triest murmelen we droeve liedjes bij het vuur dat ons alleen maar bedroefder maakt en stilletjes hopen wij dat de jonge mooie meisjes toch nog komen, zoals ze hadden beloofd. De wasvrouwen lachen ons uit en spreiden uitnodigend hun benen. Wij kijken bedroefd naar de zwaar behaarde kruizen. Het is ons zwaar te moede en met tegenzin, maar zo geil als jonge stieren bestijgen wij de wasvrouwen en nemen hen ruw terwijl de tranen ons over de wangen biggelen. Het had zo mooi kunnen zijn. Met kracht spuiten we ons nutteloos zaad in de uitgedroogde baarmoeders. Vermoeid druipen wij af. De wasvrouwen blijven in een gelaten stemming achter. We hebben geneukt en gezopen en keren onvoldaan huiswaarts waar het eenzame bed ons wacht en allen zijn wij diep bedroefd dat de jonge mooie meisjes niet zijn komen opdagen. ‘s Nachts dromen wij dat ze er toch waren opdat wij ‘s morgens kwiek uit de veren springen, wederom ons toilet maken om een nieuwe feestdag in te luiden vol gedruis en gejuich en veel drank en grote verhalen. Hoe de meisjes daar waren en dat ze er vanavond weer zullen zijn. Opgewekt zijn wij gedurende de dag. Vol verwachting wachten wij op het ondergaan van de zon, om een wild feest te kunnen geven met brood en worst, met drank en mooie jonge meisjes die zeer gewillig zijn, zo weten wij van de vorige nacht. Er zal veel gelachen worden. Er is muziek, we dansen op tafel van vreugde, om zoveel geluk. De wasvrouwen zullen ons met hunkerende ogen aankijken, maar wij hebben slechts aandacht voor de lange slanke benen, voor de bevallig dansende voeten, voor de trillende billen en de vrolijk wippende borsten van de jonge mooie gewillige meisjes. De avond kijkt ons veel belovend aan.

De lange statige figuur is naarstig opzoek, niet zomaar op zoek: naarstig opzoek. Hij zoekt naar een ding, een ding dat hij wil hebben, het ding is Been. Zijn ogen glijden over trottoir en wegdek, spieden in tuinen en gluren huiskamers binnen. Hij is opzoek en kan het gezochte niet vinden. Been lijkt wel zoek. Het Been, het been. Hij zoekt. Hij is naarstig opzoek. Hoelang zoekt hij al? Zolang dat hij niet meer weet wanneer hij begon, al voor zijn geboorte, in de schoot van zijn moeder? Kruipend over de vloer was zijn aandacht geheel gericht op been, oh Been, oh het Been! In de huiskamer ontmoette hij vele benen, maar nooit dat ene. Dat Been dat zich in zijn verbeelding genesteld had, het Been waar ook zijn vader naar gezocht had en zijn grootvader en zijn overgrootvader en. Het scheen hem of iedereen zocht naar Been, maar al snel viel hem op dat slechts weinigen. Er waren vele dingen zoek, iedereen zocht wel iets. Hij zocht Been I, de voet der voeten, het been dat nooit wankelt, het been dat nimmer mist, het been dat je overal naartoe leidt, dat Been. Natuurlijk valt het gegevene te binnen, het is vanzelfsprekend evenwichtig en zeer voornaam en als de gekeerde wanhoop de vrije loop dan stijgt het zelfs naar hogere regionen waar geen vrije geest kan komen, misschien zelfs wil komen, daargelaten dat de eenvoud fataal is. Het is onmogelijk voorspellingen te doen.

‘s Middags drinken wij vast een glaasje om in de stemming te komen en kijken naar elkaar, lachend en met veelbetekenende blikken. Als de avond wordt als de avond tevoren dan staat ons veel goeds te wachten. De jonge meisjes komen voorbij gelopen. Vriendelijk glimlachen wij naar hen en gluren alvast naar de lange slanke benen, naar de voeten die bevallig zullen dansen, naar de heupwiegende billen die later zullen trillen en verlangend kijken wij naar de borsten, nu nog gevangen in tettemiën, maar op het heetst van de avond vrolijk wippend. We weten dat we aan de tepels zullen knabbelen, de billen zullen vatten, de voeten zullen likken en in de lange slanke benen zullen klimmen. Nog een glaasje drinken wij om ons geluk te bezegelen, toostend op wat komen gaat. De meisjes lachen vriendelijk terug, maar laten nog niets merken van hun hartstocht, hun heet verlangen met ons samen te zijn. Wij zwaaien hen nog lang na, ook als zij uit het gezichtsveld zijn verdwenen, want misschien kijkt een van hen nog even om.

Altijd blijven de lege omhulsels, de woorden zonder betekenis, met stekelige hanepoten of doorkliefde lichamen. Als negatie van de taal of zichzelf betekenende druksels. Meer is niet nodig als men lezen wil. De betekenis zij duidelijk. En toch en toch, de letters worden gelezen en dwazen zoeken betekenis in het betekenisloze. Ze luisteren waar niets te horen valt. Ze kijken waar niets te zien is.

Been staat met schoen en sok op de schouw, schoppen kan het even niet. Been is gereduceerd tot object van schoonheid. Het kan zich vaag herinneren de tijden van schoppen en de tijden van Clown. Hoe hij verre reizen maakte. Het kent niet het verlangen, het is nu Been I op schouw en wordt bekeken door begerige ogen, betast door zweterige handen. Hij weet zichzelf van grote waarde. Onder de schouw knapt het vuur. Been is warm en niet beducht voor jicht, slechts een zweetvoet rest hem. Voet zonder blaren, zonder ingescheurde teennagels, geen schimmels, geen eelt. Been heeft een rustig en onbekommerd bestaan.

Geile beren als wij zijn staan we al vroeg aan de poort te wachten op de mooie jonge meisjes die wij vanmiddag met onze lach hebben uitgenodigd voor het feest. Optimisten als wij zijn zien wij in elk groepje dat nadert de lange ranke benen van de mooie jonge meisjes, terwijl het nota bene de lompe stompen zijn van de ouden van dagen die buiten de stad in de weide een dansje gaan wagen op de muziek van de troubadour. Nog geen greintje twijfel is er bij ons te bespeuren dat de mooie jonge meisjes zullen komen. Likkebaardend kijken wij elkaar aan. De wellust brandt in onze ogen en bijkans verenigen wij onze mannelijke lichamen in een gevecht om daarmee uiting te geven aan ons gelukgevoel en, in mindere mate, aan ons heet verlangen. Sta ons bij, lijken onze lichamen te willen zeggen, we gaan een zware nacht tegemoet. We weten niet half van de teleurstelling die wij wederom zullen moeten incasseren. Ik ook niet want ik sta aan de rand van de poort met mijn tong op mijn knieën de straat in te turen. Mijn blik vangt alles wat naaktheid vertoont, beoordeelt het, verlangt ernaar of wijst het af, maar vooral zoeken mijn ogen naar de jonge mooie meisjes die aanstonds zullen komen, dat weet ik zeker. Ze zullen vrolijk lachen. Huppelend met hun armen in elkaar gestoken op ons toekomen, met wapperende rokken en deinende borsten. Dat is waar wij het eerst naar kijken al stil verlangend naar de eerste aanraking. Diep onder in de buik voelen wij dat onze werkelijke aandacht uitgaat naar de gleuven tussen hun benen, maar dat durven wij niet toegeven, niet aan elkaar en beslist niet aan de mooie jonge meisjes ondanks dat wij weten dat er een wederzijds verlangen is naar kruizen, dat op het moment dat ons gestel ons dwingt het liederlijk zaad aan de andere natuur toe te vertrouwen, ook de mooie jonge meisjes opperste bevrediging vinden in het diepst van hun schoot en ons zó dankbaar zijn voor de rijke ervaring die wij met hen gedeeld hebben dat ze ook de volgende avond zullen verschijnen om het nog eens te ondergaan. Al was het alleen maar om zichzelf ervan te vergewissen dat ze het niet gedroomd hebben. Zo staan wij tesamen aan de poort te wachten, te smachten. Wij kunnen de spanning amper verdragen, maar slaan ons er moedig doorheen, want wat komen gaat is het wachten waard. Driewerf dat is een zekerheid. De zon verdwijnt achter de huizen.

De man loopt naar Been en verplaatst het twintig centimeter naar links, vervolgens schuift hij Been iets naar voren op de schouw, neemt afstand en bekijkt met samengeknepen ogen de schouw. Hij glimlacht tevreden Zo kan hij met Been voor de dag komen. Hij strikt de veter van de schoen, trekt de sok iets op en veegt met de mouw van zijn colbert over het zwarte leer zodat dit mooi glimt. Vanavond komen zeer hoogstaande lieden Been bekijken. Hij heeft de kamer keurig opgeruimd. Hij heeft zelfs stof afgenomen. Er staat drank klaar in de koelkast: twee flessen Palinka, een fles Grappa en maar liefst vier kruiken zuur bier. Alles is in afwachting van hoog bezoek. De man staat treuzelend bij het raam. Doet hij er goed aan Been bloot te stellen aan vreemde ogen? Kan Been dat verdragen? Kan hij het wel verdragen dat Been niet alleen van hem zal zijn? Hij overweegt de bijeenkomst af te gelasten, maar de mogelijkheid die hem door Been geboden wordt in de hoogste kringen te kunnen verkeren is te aanlokkelijk en hoewel hij nog niet weet wat Been betekent, behalve dan dat hij weet dat Been vele bewonderaars kent, vooral in de rijkste, meest invloedrijke kringen -de rijksten der rijken willen een speeltje en dat speeltje heeft hij - kan hij, nee wil hij het aanbod niet afslaan. Het is te mooi om waar te zijn. De voordeurbel rinkelt. De man trekt wit weg. Snel loopt hij naar de keuken om zijn gezicht met koud water te deppen. Voor de spiegel in de gang trekt hij zijn stropdas recht en bekijkt zichzelf even. Hij heeft een gemaakt zenuwachtig glimlachje in zijn ogen. Met een zwier opent hij de deur. Zijn eerste fout. Hij had de deur heel bedeesd willen openen, dat had hij die middag nog geoefend. Voor de deur staat een reus die hem woest aankijkt. ‘Been?’, vraagt hij nors. Zonder het antwoord af te wachten stapt de reus naar binnen en begint alle kamers te doorzoeken. De man dremmelt angstvallig achter hem aan. Als de reus in alle vertrekken is geweest loopt hij naar de voordeur en geeft een geheimzinnig teken met zijn hand ‘Het is goed, Bruno,’ hoort hij in de gang zeggen door een vriendelijk klinkende mannenstem. Even later staat er een kleine magere man in de kamer onberispelijk gekleed in een camel kostuum dat zonder onderbreking lijkt over te gaan in de licht getinte, gelooide huid van zijn gezicht en handen. Hij lacht. Hij lacht vriendelijk. ‘Bent u Rice?’, vraagt hij, zijn arm naar hem uitstekend. De reus blijft bij de voordeur staan. Rice ziet dat er nog iemand op de gang staat en kijkt de bezoeker vragend aan. ‘Dat is mijn vrouw, zij is ook geïnteresseerd,’ zegt de bezoeker die zich tot grote ergernis van Rice niet bij naam heeft voorgesteld. Vanuit het duister van de gang stapt een bevallige blondine de kamer binnen. Ze negeert zijn blik en zijn uitgestoken hand en nestelt zich met haar benen opgetrokken in zijn luie stoel. De bezoeker staat met zijn rug naar de schouw gekeerd de kamer op te nemen. Hij kijkt niet naar Been. Ook het meisje, of jonge vrouw, Rice weet niet hoe haar te betitelen, kijkt met grote verbaasde ogen om zich heen, maar vermijdt met haar blik Been. Rice biedt de bezoeker een drankje aan. Vlug kijkt hij ook het meisje vragend aan. De bezoeker mompelt ontkennend, het meisje zwijgt geheel. ‘Komen er nog meer toeschouwers?’ vraagt de bezoeker uit het raam kijkend. ‘Nog twee.’ antwoord Rice met trillende stem van opgekropte woede. De reus steekt zijn hoofd door het gat van de deur en wenkt naar het meisje dat meteen opspringt en naar de gang loopt. Even later komt ze terug de kamer in gevolgd door twee heren in het zwart gekleed die meteen naar Rice lopen en hem hartelijk de hand schudden. Beiden dragen ze in hun linkerhand een identieke zwart bonte muts. ‘Been, het Been,’ mompelen ze om beurten na zich te hebben voorgesteld als Raymond & Raymond. Tegelijk draaien ze hun hoofden in de richting van de onbekende bezoeker. Er is schrik op hun gelaat te lezen. De aanwezigheid van de reus en het meisje had hen al doen vermoeden. Ze nemen plaats op de tweezitter en weigeren het gebruik van een drankje of versnapering. ‘We zijn er allemaal, de voorstelling kan aanvangen,’ zegt de onbekende bezoeker. Rice kijkt hem vragend aan. ‘Het Been, het Been!,’ zegt de onbekende bezoeker geërgerd. ‘Het Been, het Been’, herhalen Raymond & Raymond plechtig. Alle ogen zijn gericht op Been. Rice die met zijn rug naar de schouw gekeerd staat draait zich langzaam om en nog voor hij zijn blik op Been laat rusten ziet hij Been bewegen. Been stapt parmantig over de schouw heen en weer, maakt sprongetjes en tikt met de hak van de zwart leren schoen tegen de marmeren achterplaat. De mond van Rice valt open van verbazing en even lijkt hij zijn evenwicht te verliezen. Been springt van de schouw en begint door de kamer te lopen. Bij de blondine blijft hij even staan, maar als zij haar hand naar hem uitsteekt springt hij verschrikt weg en komt tegen Rice aanstaan. ‘Derde Beens.’ zegt de onbekende bezoeker verbaasd. ‘Derde Beens?’ zegt Rice , die langzaam begint te begrijpen wat Been is. ‘Ik ben staandebeens met derde Been’ denkt hij en tegelijkertijd zegt hij het, zich de opvallende posters van de gestoorde Clown herinnerend. ‘Staandebeens met derde Been’, zeggen Raymond & Raymond verbouwereerd. De onbekende bezoeker maakt zich uit de voeten en neemt in het voorbijgaan het meisje mee. De reus die niets heeft gezien kijkt zijn baas geschrokken na als deze langs hem heen raast. Zonder te groeten rent hij achter hem aan, de deur blijft achter hem openstaan. Raymond & Raymond staan zij aan zij in de kamer en buigen voor Rice. ‘U bent groter dan de gestoorde Clown, Staandebeens met derde Been. Wij groeten u,’ zeggen zij eenstemmig om vervolgens achteruit lopend de kamer te verlaten. Het huis is leeg, de voordeur staat open en Rice en Been. Oh, Been I waar gaat dat heen?

Wij staan perplex, negen uren heit de klok, het feest had al begonnen moeten zijn, maar nog steeds hebben de mooie jonge meisjes niets van zichzelf laten zien, geen spoor, geen bericht dat zij verlaat zijn, dat zij nog toilet moeten maken, baden om hun jonge lichamen te schonen van het vuil van de stad. Waarom zouden zij dat doen? Wij houden van de geur van hun zweet. Graag peuren wij het vuil uit hun poriën, likken wij het zwarte vuil tussen hun tenen vandaan, begraven wij onze gezichten in de naar rotte vis geurende gleuven. Niets doen wij liever dan met onze tong in hun oren. Elk gat zullen wij reinigen als dat van ons verlangt wordt. Dat zeggen wij tegen elkaar, wij die met de armen over elkaar wachten op de binnenplaats met de ogen gericht op de poort. De wasvrouwen zijn naderbij gekomen en maken aanstalten om plaats te nemen op de neergevlijde tapijten en kleden, maar wij keuren hen met geen blik waardig en dat weerhoudt hen nog. Ook zij weten dat de mooie jonge meisjes elk moment aan de poort kunnen verschijnen. Dan moet de ouderdom plaats maken voor de jeugd, dat is de regel.

Waarin Clown bij Rice op bezoek komt, maar Been niet krijgt te zien. Waarin Rice Clown de deur wijst, met pijn in zijn hart maar zelfzeker. Waarin de statige figuur die Steeper heet immer zoekt, bijna vindt, maar toch de verkeerde richting inslaat. Waarin Rice wordt beledigd en Been een eerste schop verkoopt voor een niet te hoge prijs. Waarin schouwburg directeuren contracten aanbieden. Waarin Been. Waarin Rice. Waarin alle dingen overdreven worden. Waarin waarin. Ach, er waren nog eens tijden dat de soldaten zij aan zij streden tegen alle onrecht. Waar men de vijand recht in de ogen keek en naar elkaar zwaaide met vuile onderbroeken. Dat men wel schoot, maar niet gedood. Dat waren nog eens tijden. De tijd dat kleine jongetjes grote daden verrichtten. Elkaar redden van een wisse dood en daarna vriendschap voor het leven, bloedbroeders. Tijden van blijdschap en geluk. De tijd van wanhoop en verdriet. De tijd van het grote lijden toen de varkens nog thuis geslacht werden en de kippen dubbel zoveel eieren legden en groter. De tijd van korte broeken, blote benen, van sierlijke vlechten. En dienovereenkomstig ofschoon moeilijk te vatten de verhalen, de vertellingen, groot en klein, spannend of saai, lief of bloeddorstig. Verhalen van de Reizigers; verhalen van de wachters. Allen luisteren bij een knappend vuur onder de sterrenhemel naar de woorden van de verteller. ‘De reizigers zijn niets opgeschoten, zij bivakkeren aan de rand van het woud ver van de hoofdweg verwijderd. Ze wachten op een teken. Niemand weet wat het teken inhoud, ook de Voeder niet. De Voeder verdeelt het schaarse voedsel dat zij nog hebben in gelijke porties. De Eter en de Drinker verzamelen brandhout. De Veelvraat zet vallen uit, ondanks dat de Voeder hem dat verboden heeft. De Geheelonthouder en de Drager rusten uit, de voorlaatste rookt een sigaret, maar hij heeft niet veel tabak meer.’ Vooral de kleine kinderen luisteren met rooie oren naar de vertelling. De ouderen doen of ze niet geïnteresseerd zijn in de geschiedenis van de reizigers, maar luisteren wel zwijgend naar de langzaam uitgesproken woorden van de verteller. ’Tegen de avond als de reizigers zich rond het vuur geschaard hebben en het kleine beetje voedsel de maag inzakt -de Voeder heeft bessen gevonden- vertelt de Voeder een verhaal, zoals hij elke avond een verhaal vertelt. Gisteren vertelde hij het verhaal van het brood, over de bakker en hoe lekker het brood smaakt met boter en honing. Welk verhaal de Voeder vandaag vertelt weet niemand tot de Voeder begint. Dan zegt hij bijvoorbeeld ‘vandaag vertel ik het verhaal van de Diafaan’ en dan luisteren alle reizigers gespannen.’ De toehoorders zouden graag van de Diafaan vernemen, maar de verteller weet ook niet welk verhaal vandaag verteld gaat worden. Als het verhaal het verhaal van de Diafaan zou zijn dan zou het ongeveer zo klinken: als het gegons van de bijen in de hazelaar, als het geritsel van dode bladeren in de voorjaarswind, als het balken van een eenzame ezel. De Diafaan danst, zij is onzichtbaar. De verteller vertelt dat de Voeder vertelt. ‘Wij moeten geduldig wachten op een teken alvorens het woud in te trekken waar de Diafaan danst. Een van ons zal een teken ontvangen,’ zegt de Voeder bijna fluisterend. De Drinker herhaalt de woorden voor zichzelf. ‘Oh!’ zegt de Drager. ‘Maar dat teken is er toch allang.’ Hij wijst naar een groep herten die hun koppen uit het bos steken. ‘Neen,’ zegt de Voeder. ‘Dat is een groep herten en geen teken. Het teken zal duidelijk zijn, het zal ons de weg wijzen.’ ‘Waarheen?’ vraagt de Eter. De Voeder moet hem het antwoord schuldig blijven. ’Daar waar het teken ons heenleidt’, is het enige wat hij kan zeggen. ‘Dit is geen verhaal,’zegt de veelvraat.’ Een meisje onder de toehoorders is het met hem eens. De ouderen mompelen dat de verhaallijn zich nog moet ontwikkelen, het meisje schikt zich in deze verklaring. ‘Oh nee?’ zegt de Voeder verbaasd.’Let maar eens op!’ ‘De aandacht is weer geheel gericht op de Voeder,’ zegt de verteller die er goed voor gaat zitten. ‘De Diafaan danst niet alleen ‘s nachts, zoals velen denken, maar ook gedurende de dag. Dan is zij bijna niet hoorbaar door de beweging der dingen, maar ‘s avonds als alles in rust verkeert en als je heel goed luistert dan kun je haar horen. Zij is als het zachte briesje dat de bladeren doet ritselen; zij is als de hond die blaft tegen de maan; zij is als de uil die roekoe, roekoe; zij is als de twinkeling van de sterren; als het lachen van de maan; zij danst over de velden; speelt met de bomen; kriebelt in de oren van de aandachtige luisteraar; zij is als het ratelen van een slang; het getik van de specht; het getjilp van de mussen; het geeuwen van een paard; zij is het gegons van de bijen in de hazelaar. Zij knettert als het vuur; zij ruist als de gedachten; zij is als de eenzame voetstappen op een grindpad; zij is als de gil van een barende vrouw; zij is het geknor van de varkens aan de trog, het zuchten van een oude man; het getik van een uurwerk; het gesteun van de balken; het kraken van een traptree; zij is de piep in de voordeur; zij is het geluid van brekend glas.’ De Voeder zwijgt, de verteller zwijgt. (Regie aanwijzing: Been gaat als eerste op, daarna volgt Rice Staandebeens, de ochtendschemering, hoorngeschal uit de catacomben van het theater. Techniek: spot op Been, Pipo op Rice S.) ‘Gaat het verhaal nog verder?’ vraagt de Drager als de stilte lang genoeg geduurd heeft naar zijn zin.’ Geroezemoes klinkt onder de toehoorders. ‘Het gaat verder,’ mompelt de Voeder afwezig.‘Laat me denken. Het is een zeer oud verhaal, de woorden wegen zwaar, er is geen plaats voor lichtzinnigheid. De Diafaan danst het bulderen van de allesvernietigende orkaan; zij is als de hoge golven van de grote oceaan die op de rotsen kapotslaan; zij is als de donder; als de bliksem die bomen splijt; zij is als de wond die open rijt. Als je heel aandachtig luistert hoor je hoe ze werkelijk is. Zij is dan niet meer te vergelijken, er zijn geen woorden voor die schoonheid. Dat was het verhaal van de Diafaan.’ De Voeder zwijgt, de verteller vertelt. ‘De reizigers zoeken beschutting tegen de kou en leggen zich ter ruste rond het vuur. De Voeder kijkt nog even naar de sterren voor hij zijn ogen sluit. Het teken, het teken, denkt hij voor de slaap hem overmant en hem meetrekt in dromenland.’

Volg de sporen der waarheid, denkt de lange statige figuur die Steeper heet. Hij zoekt naarstig. Hij weet van Been, van de steen en alles daaromheen. Hij heeft gehoord, hij heeft gezien, hij huiverde. Staandebeens met derde Been. ‘Been I waar gaat dat heen?’ zegt de statige figuur die Steeper heet terwijl hij met spiedende ogen een kamer inkijkt. Hij ziet met stervende ogen van verlangen een ontklede vrouw die Been tegen haar onderbuik drukt, nepbeen, kunstbeen, burgerbeen. Ik stel voor Been heel even te laten voor wat het is: Been, en de aandacht te vestigen op de te vroeg geboren troubadour en laat ik de naakte jongedame op een bed van droge bladeren niet vergeten. Ook is daar de linie met soldaten die onder het wapen van gerechtigheid strijden op het veld. Allen zijn zij deel van Been: beendraaiers, beenvreters, beenhouwers, beenderman, beendervrouw, beenloos. We zullen moeten aanbenen om het verhaal of de vertelling in te halen voor het tot stilstand komt. Er is been in wording.

De te vroeg geboren troubadour heeft aangeklopt bij het Brokkenhuis, een beendorre vrouw opent de zware deur. ‘Ik ben de te vroeg geboren troubadour. Men heeft mij gezegd me bij U te melden.’ De beendorre vrouw veegt haar lange sluike haar uit haar gezicht. Slaperige ogen kijken de troubadour aan. ‘U bent aan het verkeerde adres,’ zegt ze met lome stem. ‘Eigenlijk bent u aan het goede adres, maar te vroeg.’ De vrouw wil de deur voor hem sluiten maar wijfelt. ‘Kom maar binnen,’ zegt ze met spijt in haar stem. ‘Wees alsjeblieft stil, het is nog vroeg.’ De troubadour volgt haar de lange trap op. Ze duwt hem een keuken in en zegt. ‘Wacht hier maar, we zijn zo terug.’ De mooie jonge vrouw op een bed van droge bladeren, zij is naakt. De soldaten die een linie vormen in het veld drinken modderwater en eten hun teennagels. Al weken hebben ze geen orders ontvangen van hogerhand en de verbindingstroepen hebben het laten afweten; proviand is er alleen nog voor de officieren, maar schietbenodigdheden zijn er in overvloed. De te vroeg geboren troubadour wacht in de keuken waar een pot op het vuur staat te pruttelen. Aan alle wanden hangen bosjes kruiden aan roestige spijkers en staan potjes op scheve planken. Er liggen grote in leer gebonden boeken op de keukentafel. ‘Als je het niet erg vindt maak ik dit even af,’ zegt de beendorre vrouw die met twee houtblokken in haar armen de keuken binnenkomt. De troubadour knikt. De vrouw ziet het niet, ze staat al over de pan gebogen. ‘Kijk nooit te diep in de ogen van de tijd,’ mompelt ze terwijl ze in de pan roert. Bliksemsnel draait ze zich om. ‘Wie ben jij?’ snauwt ze de troubadour toe. Ze lijkt te zijn vergeten dat ze hem heeft binnengelaten. Ze kijkt hem strak aan. ‘Ik ben...’ De troubadour kan zijn zin niet afmaken want de beendorre vrouw is de keuken uitgevlogen. ‘Wie laat dat gespuis binnen?’ schreeuwt ze op de gang. ’Ik moet geen sekreetruimers in mijn huis.’ Dan is het plotseling stil, ze komt de keuken weer ingelopen en gaat alsof er niets is gebeurd verder met haar brouwsel. ‘Aprobojtorjan orbancfu csalan,’ hoort de troubadour haar zeggen. ‘Kom je van het knekelhuis?’ vraagt ze zonder op te kijken van haar werk. ‘Wie? Ik?’ stamelt de troubadour die door zijn verwarring niet weet of ze het tegen hem heeft of tegen de pan. ‘Ga toch zitten,’ zegt de vrouw die blijkbaar genoeg heeft aan zijn antwoord. ‘Wil je koffie?’ De troubadour die niet weet wat koffie is durft geen nee te zeggen. Hij huivert bij de gedachte dat ze hem van het brouwsel zal laten drinken. ‘Het is gewoon oploskoffie hoor,’ zegt ze zijn gedachten radend. Ze loopt naar een keukenkast en laat hem een pot zien. ‘Zal ik twee kopjes in de magnetron zetten of één?’ ‘Twee,’ fluistert de troubadour bijna onhoorbaar. ‘Wat is je naam?’ vraagt ze vriendelijk. ‘Ik heb geen naam,’ zegt de troubadour verbaasd over zijn eigen woorden. ‘Dat is mooi, dan kunnen we jou een naam geven, maar dat kost even tijd, je zult nog even moeten wachten, eerst dit.’ Ze wijst naar de pan. ‘Wat is het?’ durft de troubadour te vragen. ‘Nieuwsgierig hè, dat is mooi, maar je zult nog even geduld moeten hebben, drink liever je koffie.’ De troubadour nipt van zijn koffie, het is koud en bitter van smaak. ‘Ach ja, dat was ik vergeten,‘ zegt de beendorre vrouw het kopje uit zijn hand nemend. ‘Ik heb nog geen magnetron.’ Ze giet de koffie in de gootsteen. ‘Wil je misschien wat gerstenat, er staat nog zuur bier in de kelder.’ Ze let al niet meer op hem, peinzend kijkt ze naar de pot op het vuur. Na een poosje draait ze zich om. ’Vraag maar iets’ zegt ze.’Of vertel een verhaal.’ ‘Ik ben nog niet zolang troubadour,’ zegt hij zich verontschuldigend. ’Mijn moeder...’ ‘Ah, je moeder,’ zegt de beendorre vrouw veelbetekenend in stilzwijgen vervallend. De troubadour kijkt naar zijn schoenen. ‘Hemelse goedheid is het al zo laat,’ zegt de beendorre vrouw plotseling. ’Ik moet vliegen.’ Ze grist wat potjes bij elkaar die in een mand verdwijnen, pakt een boek van de tafel en kijkt dan de troubadour aan. ‘Ach ja, jij bent er ook nog, nou wat moet je?’ vraagt ze bits. ‘Ik...’ Ze laat de troubadour wederom zijn zin niet afmaken. ‘ Het is goed,’ zegt ze weer vriendelijk. ’Wacht maar hier tot we terug komen, het duurt niet lang. Hier lees dit maar!’ Ze duwt een groot dik boek in zijn richting. Als ze weg is slaat de troubadour het boek dat voor hem ligt open. In krullende letters in goud gedrukt staat er op de titelpagina: Boek der verboden herinneringen, waarschuwing aan de lezer. Wee u de lezer van deze woorden! Het ongeluk zal u treffen als u verder leest, want de woorden zijn niet voor uwen ogen. Ze zijn te boek gesteld om te worden vergeten, de schrijver dezes wenst niet langer de last te dragen die op zijn schouders rust: te herinneren wat verboden is, te weten wat niet geweten mag worden, kennis te hebben van zaken die de ondergang der mensheid voor hebben, de beenderman loert. Leest u toch verder weest dan beducht, u zal ondraaglijke kennis deelachtig worden en het noodlot zal u wachten. Nu nog kunt u dit boek wegleggen en het laten verdwijnen opdat het nooit door mensenogen gelezen kan worden. Het is godentaal, het is duivelskennis. U zult nooit meer kunnen terugkeren naar de onschuldige die u nu nog bent. U bent gewaarschuwd! De troubadour slaat het boek dicht, maar zijn nieuwsgierigheid is gewekt. Verlangend kijkt hij naar de bruinleren kaft. ‘Heel verstandig,’ hoort hij iemand zeggen. Hij kijkt om zich heen, maar er is niemand in de keuken. ‘Ach laat hem toch een stukje lezen,’ hoort hij een andere stem zeggen. ‘Een klein stukje kan geen kwaad. Alleen om zijn nieuwsgierigheid te bevredigen.’ ‘Nee, doe maar niet, je weet nooit wat er kan gebeuren,’ zegt de andere stem weer. ‘Maar hij wil zo graag!’ ‘Nee, eerst moet hem een naam gegeven worden, zijn moeder heeft verzuimd.’ De te vroeg geboren troubadour duwt het boek van zich af. ‘Wie spreekt daar?’ stamelt hij. Hij krijgt geen antwoord op zijn vraag.

Been staat verveeld tegen de deurpost van de kleedkamer geleund. Er is een opvoering voor genodigden. Raymond & Raymond staan naast Rice die een glinsterend kostuum draagt en zich zeer onbehagelijk voelt. ‘Het is belangrijk dat u veel lacht’, zegt Raymond. De tweeling kijkt bezorgd naar Been, dan weer naar Rice die in de spiegel een glimlach oefent. ‘Zo is het goed,’ zeggen Raymond & Raymond tevreden. ‘U weet er staat veel op het spel.’ ‘Is er muziek?’, vraagt Rice verveeld. Geschrokken kijken Raymond & Raymond hem aan. ‘Muziek, nee geen muziek, vooral geen muziek, dat zou de hele voorstelling verstoren.’ ‘Alleen hoorngeschal,’ zegt de regisseur die de laatste woorden van de tweeling heeft opgevangen. Hij stapt de kleedkamer binnen. ‘Dat is geen muziek, dat is hoorngeschal,’ zeggen Raymond & Raymond. De regisseur heeft een verbeten lachje rond zijn mond. ‘Gaat het?’ zegt hij zich tot Rice wendend die nog steeds de glimlach oefent in de spiegel. ‘Als je het publiek ziet vergaat je het lachen snel,’ zegt hij nors, ‘Plebs dat geld heeft, laat het lachen maar aan mij over.’ Het gezicht van Rice betrekt, zo had hij zich het niet voorgesteld en ook Been lijkt uit zijn doen. Deze komt bij hem staan en tikt met de neus van zijn schoen tegen de voeten van Rice alsof hij zeggen wil dat ze moeten gaan. ‘Ga je mee stappen?’ zegt Rice tegen Been, die meteen opveert. ‘We doen het niet,’ zegt Rice resoluut, zijn glimmende jas uittrekkend. ‘Laat ze maar een ander been zien er staat er vast nog wel een in de kelder.’ Raymond & Raymond springen op en neer druk inpratend op Rice. ’Jullie hebben een contract, jullie kunt niet zomaar weggaan, contractbreuk, contractbreuk.’ De regisseur lacht. ’Ik ga mee,’ zegt hij.

‘Theun, Bert, Jacob, Jonas,’ zegt de stem. ‘ "Nee, niks,’ zegt de andere stem. ‘Gerard, Willem, Thomas, Aloysius.’ ‘Nee, nee, nee.’ ‘Wat dan?’ De stemmen zwijgen even. De troubadour probeert te achterhalen waar de stemmen vandaan komen. ‘Ruud, Jurgen, Christiaan, Hans.’ ‘Nee!’ ‘Bertrand?’ ‘Nou... nee toch niet.’ ‘Karel?’ ‘Misschien, maar het past niet helemaal bij zijn karakter.’ ‘Wat dacht je van Floris?’ ‘Bijna, Floris is meer een riddernaam, Joris is beter voor een troubadour!’ ‘Dag Joris,’ zegt de stem. ‘Dag Joris,’ zegt de andere stem. ‘Dag Joris,’zegt de beendorre vrouw vanuit de deuropening.

Twee wachtlopende soldaten turen door verrekijkers naar de plaats waar voor het laatst de vijand gesignaleerd is. Hun magen knorren naar elkaar. ‘Begrijp jij er iets van?’ vraagt de langste van de twee.’Er is niets te zien, geen spoor van een vijandig kamp.’ De ander blijft zwijgend de horizon afspeuren. De langste bergt zijn kijker op en maakt aanstalten terug naar het kamp te gaan. ‘Ik zag wat bewegen!’ zegt de kleinere soldaat plotseling. ‘Naast die rij bomen.’ Hij overhandigt zijn kijker aan de lange soldaat en kijkt zelf met zijn hand de zon werend in de richting van de bomen. ‘Wat was het dan?’ vraagt de lange die niets ziet. ‘’k wee nie!, maar het bewoog wel.’ ‘Ach wat, laten we teruggaan naar het kamp voordat al het modderwater op is.’ ‘Ja, het zal wel niks geweest zijn.’ De beide soldaten waden door het hoge gras naar het kamp waar nog steeds een lamlendige sfeer hangt.

Zo blij als wij vanmiddag waren, zo bedroefd zijn wij nu. Het feest is weer voorbij. De wasvrouwen liggen op de tapijten nog na te hijgen van de beurt die hen ten deel is gevallen. Wij knopen onze broeken dicht en kijken elkaar met tranen in de ogen aan, er is weer een groots feest aan onze neus voorbij gegaan. Natuurlijk zijn wij niet boos op de mooie jonge meisjes, er moet iets tussengekomen zijn, misschien konden ze ons niet vinden of hadden ze last van een menstruatiepijn, wie zal het zeggen. Morgen is er weer een dag. Mismoedig schudden wij elkaar de hand, slaan elkaar bemoedigend op de schouders. Wij blijven lachen, zeggen we tegen elkaar. Het koude bed wacht ons.

Overal wordt Rice nagewezen, want Been I, het derde been, loopt overal met hem mee. Been schopt deuren open en ondersteunt Rice als hij wankelt. Rice is onwennig voor zoveel aandacht en wenst zich een onbekommerd bestaan. Been I staat met hem op en gaat met hem naar bed, hij wast Been als zijn eigen benen, hij knipt de teennagels, verwijdert eelt of streelt het Beenhaar. En dan is Been weg. Ondergegaan in de menigte benen in de stad.

De IJkmeesters spreken: ‘Alvorens te zien, vooroverbuigen. Een kort knikje uit eerbied of zomaar, want: de dingen verkeren, ze zijn waarachtig, ze zijn oprecht. Dat is wat de dingen zijn en nog veel meer. Bijvoorbeeld ook: de dingen zijn goed gezind. Dingen zijn, dingen gebeuren, ook nu. Ook: wat niet gebeurt, wat nooit zal gebeuren. Dat het is, het ding. Dat ze er zijn, de dingen, altijd. Wat het is, het ding. Wat ze zijn de dingen. Niet zozeer wat ze doen of wat ze willen, de dingen, dat doet niet ter zake. Dat het er niet is, het ding. Dat ze er niet zijn, de dingen. Er is nooit teveel, er is altijd meer: nog een ding en nog een, meer nog, want dat gebeurt. Niet wat zij betekenen, maar wat zij lijken te zijn. Ze zijn wat ze lijken, ze zijn wat ze niet lijken, dat is wat ze zijn, dat is het lot der dingen. Dat waar de dingen zijn ook dingen gebeuren. (Lees de gebruiksaanwijzing niet!) Dingen zonder betekenis. Dingen zonder eigenschap. Slechts dingen. Dan: Geef nieuwe betekenis. Geef nieuwe eigenschap. Nieuwe dingen. Dan: Laat de betekenis achterwegen. Laat de eigenschap achterwegen. Zomaar dingen. Een ding is een ding tot het tegendeel bewezen is, omdat en vooral daarom het ding van binnen, het ding van buiten, dat is wat het ding is. De dingen doen van zich spreken, want de samenhang der dingen. Wat overblijft zijn ademloze vragen. Dat de dingen bewegen, als de dingen bewegen. Ze bewegen wel. Ze bewegen niet. Anders: ze bewegen en staan stil. Dat ze bewegen en stilstaan, als de dingen stilstaan. Anders: de dingen zoals ze zijn als ze bewegen; de dingen zoals ze zijn als ze stilstaan; de dingen zoals ze zijn als ze bewegen en stilstaan; dat zijn de dingen. Zo verwordt de schijnbare beweging der dingen. Aldus waren de woorden van de IJkmeesters.

De lange statige figuur die Steeper heet kruipt onder de tafel om zijn servet op te rapen. Hij ziet twee blote benen. Het been, het been! Tien tenen spelen met de krulletjes van het tapijt. Hij stoort hen niet in het spel. De benen behoren een lichaam, door zijn onhandige houding ziet Steeper niet welk lichaam. De knieën knikken hem toe. Hij knikt vriendelijk terug doch zonder een blik van herkenning, dat zien de tenen ook. De dijen glimmen van genot en gaan speels uit elkaar: ze tonen hem de verboden aanblik waar heel kuis wat schaam¬haar om de rand van het slipje kijkt. Hij begrijpt dat hij niet lang zo gehurkt kan blijven zitten en wil overeind komen, maar zijn lichaam weigert. Zijn ogen zijn nog steeds gericht op het schone schouwspel, willen niet hun blik afwenden. De voet komt omhoog en blijft vlak voor zijn gezicht stilhangen. Vijf wiebelende tenen lachen hem toe. Zijn ogen kijken verbaasd, nog verbaasder is zijn mond die openvalt en voor de mond zich kan sluiten zitten de vijf tenen erin. Zijn tong glijdt tussen de tenen, zijn lippen sluiten zich rond de wreef en zijn tanden zetten zich in het zachte vlees: hij is gelukkig. Been I oh! Been I.

Een soldaat met bonte muts staat aan de rand van de heuvel, verscholen tussen de bomen te kijken naar een voorbijrijdende auto. Een klein jongetje kijkt lachend in het oog van de camera. Een serveerster wrijft, onder het oog van de etende gast, de plooien uit haar panty. Een oude boer kijkt goedkeurend naar de zachte klei onder zijn voeten. Een naakte vrouw ligt te slapen op een bed van droge bladeren.

Als de IJkmeesters zijn geweest valt er altijd een ijzige stilte in de kamer. Allen denken wij diep na over wat ons verteld is en niet zelden durft niemand de stilte te doorbreken uit angst iets verkeerds te zeggen. Men slaat al gauw een flater, niet alleen omdat de woorden van de IJkmeersters zo wollig zijn - je weet nooit precies wat ze zeggen-, maar omdat de woorden na de stilte gewichtig zouden moeten klinken, als uit de mond van een oude wijze man. Wij hebben geen gewicht, de diepgang valt ons zwaar. Meestal wordt de stilte doorbroken door goedkeurend gemurmel. Slechts een enkele keer hebben wij het geluk dat er iets onverwachts gebeurt en we daar de aandacht op kunnen vestigen. Een vogeltje dat zich dood vliegt tegen het raam of een onverwachte bezoeker. Dan laat de reactie op de wijze woorden van de IJkmeesters even op zich wachten, later op de avond zal iemand een opmerking maken die verwijst naar de dingen die gezegd zijn en kunnen wij met een gerust hart gaan slapen, maar als deze reactie uitblijft en pas bij het krieken van de dag gemaakt wordt dan hebben wij allen een onrustige nacht. We piekeren over wat we zouden kunnen zeggen tot de vroege morgen en we mogen dan van geluk spreken als iemand voor het ontbijt iets gezegd heeft, een enkele opmerking voldoet. Wee als niemand iets heeft kunnen bedenken dan piekeren wij de ganse dag en ‘s avonds als we terugkeren van ons werk hopen we, als onszelf niets te binnen is geschoten, dat de verlossende woorden op ons wachten.

‘Hebbes,’ zegt de lange statige figuur die Steeper heet, hij zocht naarstig en heeft gevonden. Hij legt zijn hand op de kogel van het dijbeen. ‘De aanhouder wint,’ zegt hij tegen Been. Plotseling was Been omringd geweest door benen en kon hij de benen van Rice niet meer vinden. Verdwaald Been, dolend Been en dan Steeper, de helpende hand. En dan was Steeper Staandebeens en Rice tweebenig weer. Het is Been onverschillig met wie hij aanbeent, als hij maar derde been is, want één Been is geen been. Zijn lot is derde beens. Niets lijkt op zijn plaats te liggen en ook het licht dat de kamer binnenvalt maakt niet de schaduwen die gewoonlijk de kamer vormen. Het is alsof iemand in het huis is geweest, een onbekende die alle dingen een paar centimeter heeft verplaatst.

Overeenkomstig hun beroep zijn de IJkmeesters niet te strikken voor corruptie. Als zij zien of merken dat wij de dingen anders bejegenen dan wijzen zij ons resoluut terecht. Feilloos weten ze ons te vertellen over de loop der dingen, de schijnbare beweging der dingen, de stand der dingen en hoe wij ten opzichte van de dingen moeten staan; hoe wij moeten bewegen tussen en met de dingen, dat wij moeten weten wat het ding is. Ter illustratie vertelt de IJkmeester het verhaal van de reizende piano. Een oude pianist was al jaren in het bezit van een oude Duitse concertvleugel. Al zolang als hij zich kon herinneren was de piano met hem meegereisd naar de grote concertzalen. Op studiedagen als de pianist moe is van het spelen en een jenever gaat drinken in de kroeg dan volgt de piano hem gedwee. Eerst is hij weer tezien in de etalage van Hendricksen pianoatelier om vervolgens in de hoek van de kroeg te verschijnen waar hij vals staat te wezen. Soms pauzeert de oude pianist halverwege de tocht naar de kroeg bij Hendricksen, dan speelt hij een deuntje op zijn piano in de etalage. Eenmaal in de kroeg keurt hij de vleugel geen blik waardig, hij komt om te drinken en te praten, niet om te spelen, ondanks het aandringen van zijn vrienden die hem graag eens zouden willen horen spelen op dat valse kreng, misschien kan hij haar temmen. Uiteraard maakt dit verhaal veel indruk op ons. Mijn zusje loopt vrijwel meteen na het verhaal naar de studiepiano waar zij weleens op probeert te spelen en streelt de toetsen, echter zonder een toon aan haar te ontfutselen. Wij weten dat de piano betere vingers waardig is. Mijn zusje belooft plechtig meer te zullen spelen en haar techniek te verbeteren om de piano gunstig te stemmen. De IJkmeesters zijn zeer voldaan. Wij zijn vooral blij omdat wij niet behoeven te piekeren over een gepaste reactie op wat ons verteld is en allen kijken wij mijn zusje dankbaar aan en als de IJkmeesters weg zijn richten wij een feestmaal aan.

‘Misschien moeten we proberen verbinding te leggen met het hoofdkwartier,’ zegt een van de officieren in de mess. Hij kijkt bedachtzaam naar de doperwt die hij op zijn vork geprikt heeft. ‘De verbindingstroepen hebben het af laten weten en verkenners hebben we niet meer,’ zegt een andere officier.’De situatie is hopeloos.’ ‘Maar er moet iets gebeuren,’ zegt de officier die nog steeds naar de erwt kijkt. ‘Ja, eet die erwt op!’ knort een oudere officier.

En hoe staat het met de gestoorde Clown en de eenarmige ballerina? Daar begon de vertelling. Clown treurt nog steeds om het verlies van Been I. Een jonge vos rent over de heuvel die door de laaghangende zon in het westen bruinrood gekleurd wordt. Laten we aannemen dat het een jonge vos is. Het had ook een hond kunnen zijn of een grote vogel die over het weideland scheert. In ieder geval is de heuvel bruinrood gekleurd en de zon hangt laag boven de horizon in het westen. In de verte komt een trein aangereden. Het perron is leeg. Het wachten is op een vertelling. De trein komt naderbij, het piepen van de remmen en het gekraak van de wissels is al te horen. Langzaam komt de trein tot stilstand in het station. Alle deuren blijven gesloten. Er stapt niemand in, er stapt niemand uit. Na twee minuten komt de trein weer in beweging en verlaat het lege station. Tevergeefs is gewacht op een vertelling, alle mogelijke personages zitten en staan in de trein, men had instappen moeten om deel te worden van het verhaal van de treinreizigers, maar in plaats daarvan wachtte men op het personage dat zich afzonderde van de meute: het verhaal van de uitstappende reiziger, de reiziger-af die zijn doel bereikt heeft, die metamorfoseert van reiziger naar aankomer. Lange tijd had hij iets gemeen met de medepassagiers -opgesloten te zijn om in één richting gestuwd te worden-, maar als hij uitstapt is hij wederom alleen en vindt zijn weg naar de uiteindelijke bestemming. Het verhaal begint bij het uitstappen, de eerste stap op het perron is de eerste kennismaking met het personage, maar als niemand uitstapt is er geen vertelling. Een beschrijving van het station en de omgeving is mogelijk of men kan opzoek gaan naar de stationschef en aan hem een verhaal ontfutselen. Ondertussen wachten we op een volgende trein. Het leidt geen twijfel dat elke situatie, elk gebeuren tot een verhaal kan leiden: een druppelende kraan, de geschiedenis van een watermolecuul, het was niet eenzaam.

Joris, de te vroeg geboren troubadour wacht geduldig tot de beendorre vrouw klaar is met haar brouwsel. Hij is enigszins in de war, want hem is een naam gegeven. Hij moet denken aan zijn moeder die verzaakt had hem te benoemen. Zij noemde hem Uk, kleintje, Benjamin, rotjoch al naar gelang de situatie. Het had hem niet veel kunnen schelen want hij wist dat er een dag zou komen waarop hij benoemd zou worden, maar nu het zover gekomen was werden zijn gemoedsbewegingen heen en weer geslingerd tussen trots dat hij eindelijk een naam had of beter gezegd dat zijn naam eindelijk was uitgesproken, want Joris had hij altijd al geheten en wrok omdat het niet zijn eigen moeder is die hem als eerste met zijn naam heeft aangesproken. De beendorre vrouw lacht flauwtjes om deze dwaze gedachten die door zijn hoofd spelen. De beendorre vrouw kent zijn lot.

Let wel! De wachters wachten op de mooie jonge meisjes. De reizigers zijn neergestreken aan de rand van het bos en wachten op een teken. De soldaten aan de linie wachten op orders van hogerhand of de vijand. Een naakte jonge vrouw ligt te slapen onder een bed van droge bladeren. Steeper heeft zijn derde Been gevonden, Been I, Been I! Oja. De vogels fluiten en de amandelboom bloeit, ook duizend bijen verzameld in de struiken, de warmte komt eraan. De jongen bergt zijn muts op, de soldaten laten hun lange ondergoed uit en hier en daar verschijnen blote bovenlijven. En de te vroeg geboren Troubadour kijkt naar de boeken op de keukentafel, dan naar de beendorre vrouw. Ze giet een groen mengsel in een glazen pot die ze in de koelkast zet. Dat mag niet weet Joris opeens, je mag geen hete dingen in de koelkast zetten, dan is de geachte weer weg en vergeten. ‘Wat zei je?’ zegt de beendorre vrouw zonder haar mond te bewegen. Niets, denkt Joris. ‘Toch,’ zegt de beendorre vrouw. ‘Je hebt gelijk, ik heb nog helemaal geen koelkast, maar ik heb wel stromend water, denk ik. Heb je dat boek al uit? ’ Ze wijst op het boek der verboden herinneringen. ‘Alleen het voorwoord,’ zegt Joris. ‘Je moet beginnen bij hoofdstuk I, vergeet het voorwoord!’ gebiedt ze. Joris slaat gehoorzaam het boek open en begint te lezen: Geen avontuur is groot genoeg. En weer is daar een moment van verandering of beter gezegd: het veranderend proces wordt herkend, de synthese. En daarom kan het verhaal een vervolg vinden, de voortgang is gewaarborgd. De toehoorders kunnen weer vrij ademen. Zo ook de verteller die na een tijd van stilstand - er gebeurde wel van alles, maar niets leek te passen in het grote verhaal- opstaat om een plek te vinden waar hij de draad van het verhaal weer kan oppakken. Hij gaat er goed voor zitten. Hij heeft een torenkamer gevonden en wacht tot de eerste toehoorders zich aanbieden. Tot die tijd oefent de verteller zijn vertelkunst door hardop voor zichzelf de meest waanzinnige verhalen te declameren: het verhaal van de droeve kater, het verhaal van Anton de huisvlieg (die later transformeert in een vlinder) en vele meer, want de verteller houdt van vertellen. De verteller weet wie zijn toehoorders zijn, bijna allemaal hebben zij hun visitekaartje aan de poort afgegeven. Sommigen worden gestuurd om van zijn vertelling te leren, de beendorre vrouw uit het brokkenhuis heeft hem gevraagd een jonge troubadour genaamd Joris te ontvangen. Even was hij geschrokken van het verzoek, -was de troubadour niet ook onderdeel van zijn vertelling?-, maar hij had toegestemd nadat hij zich gerealiseerd had dat de beendorre vrouw het spel van de tijd kent en de troubadour enigszins verdwaald is. Morgen, besluit hij, begint hij weer met vertellen na een periode van zwijgzaamheid. Hij wrijft zich in de handen. ‘Ik ga weer vertellen,’ zegt hij tegen zijn spiegelbeeld, eerst zacht voor zichzelf. Dan zegt hij het luid tegen de muren van de torenkamer (de muren hebben oren) en dan schreeuwt hij het uit boven de daken van de stad ‘Ik ga weer vertellen, ik ga weer vertellen.’

De te vroeg geboren troubadour genaamd Joris leest de hele dag in de boeken die de beendorre vrouw aandraagt. Dag na dag, nacht na nacht leest hij en bespreekt de inhoud met de beendorre vrouw, met al haar stemmen die zich op de meest uiteenlopende plaatsen ophouden. Joris leest veel maar er blijft weinig hangen en als hij dit probleem met de beendorre vrouw bespreekt stelt ze hem gerust door te zeggen dat alles wat je leest, hoort, ziet, voelt invloed heeft op je karakter. Hij moest zich in ieder geval geen zorgen maken, dat bedoelde ze. De beendorre vrouw is niet goed in woorden. Joris probeert alles wat hij leest te begrijpen, maar veel gaat volslagen langs hem heen. Na een poosje vertelt de beendorre vrouw hem over de verteller die intrek heeft genomen in de torenkamer hoog boven de stad. ‘Hij is een wijs man en hij kan zeer goed vertellen. Al jarenlang luisteren de mensen naar zijn woorden. Vroeger was hij troubadour, tegenwoordig doet hij rustiger aan: hij blijft binnen de stadsmuren om zijn verhalen te vertellen. Binnenkort begint hij of liever hervat hij een verhalenreeks, je moet maar gaan luisteren, je hebt immers al veel van hem gelezen.’ Een van de stemmen van de beendorre vrouw vergezelt Joris op zijn tocht door de stad op zoek naar de toren waar de verteller vertelt. ‘In die spitse toren daar rechts woont de IJkmeester der IJkmeesters, hij woont in de hoogste toren van het IJkwezen. Al de IJktorens tesamen vormen de IJkkring die de mate van aandacht voor de dingen bepaalt. Zij worden voorzien van informatie door de boodschappers en de IJkbodes die zich overal in de stad ophouden.’ De stem van de beendorre vrouw had zich genesteld in Joris` linker oor. ‘En daar, waar dat opstootje is, huist de Psychotische kerk van Been I waar Steeper W.J. predikant is, je zult hem nog wel tegen het lijf lopen.’ De stad is vol geheimen waar Joris het bestaan nog niet eens van afwist. Er is nog zoveel te ontdekken, denkt hij. ‘Inderdaad,’zegt de stem. Joris is nog elke keer verbaasd als de stem reageert op zijn gedachten. Een beetje beangstigt dit hem, maar de stemmen laten hem met rust als hij voor zich uit zit te mijmeren. Hij vermoedt dat de stemmen ook dan zijn gedachten kunnen lezen. ‘Ik kan niet al jouw gedachten lezen,’ zegt de stem zijn gedachtengang onderbrekend. ’Alleen de gedachten die aanvulling behoeven of bekritiseerd dienen te worden kan ik lezen.’ De stem zwijgt. Joris ziet een lange statige figuur naar de toren rennen. De man bonst met zijn vuisten op de met ijzer beslagen deur en verdwijnt naar binnen. Voor hij geheel verdwijnt kijkt hij even om alsof hij bang is dat hij wordt gevolgd. ‘Daar moeten we zijn,’ zegt de stem.’Ik denk dat we aan de late kant zijn.’

Joris versnelt zijn pas. Voorzichtig klopt hij op de deur die piepend opengaat. ‘U wordt verwacht,’ zegt een zware stem vanachter de deur. Joris treedt binnen, de deur valt achter hem in het slot. Hij moet zijn ogen laten wennen aan het duister. Voor hem ziet hij een zwak verlichte wenteltrap die hij begint te beklimmen. De stem hijgt met hem mee in zijn oor en eenmaal boven gekomen hapt hij eerst naar adem alvorens de torenkamer binnen te gaan. Achter de deur hoort hij het monotone geluid van iemand die vertelt of voorleest. Voorzichtig opent hij de deur. Midden in de kamer zit een oude man in een grote met leer beklede stoel te vertellen. Om hem heen zit een zestal mannen en vrouwen te luisteren. ‘Let niet op hen. Luister naar de verteller,’ gebiedt de stem. Voorlopige conclusies kunnen altijd getrokken worden. Het is als een tussentijds rapport, waar men nog geen grote waarde aan kan hechten. Ik kan me voorstellen dat een eenvoudig onderzoek als dit gebaat is met een verslag tussendoor. Een voorlopig resultaat dat onaf wacht om voltooid te worden. Eerst een aantal feiten: de lente heeft niet de beloofde warmte gebracht, iedereen zit rond het haardvuur dat maar matig brandt omdat met houtsprokkelen geen haast gemaakt is. Er wordt al gesproken over een naderende ijstijd. Liefhebbers van amandelen kijken bezorgd naar de bloesem, er is hoop. Weermakers kondigen aan dat een warmtefront op komst is, hun machines maken overuren. Eerste voorlopig resultaat: de dingen verkeren in onzekerheid. Dat valt te lezen, dat valt te bezien. In andere tijden waren alle dingen feiten.

Wij zijn zeer gevoelige wezens. Wij voelen grote angst als wij vernemen dat de IJkmeesters zullen komen. Vele dingen veranderen, vele normen worden herzien, definities omgekeerd, de volzin wordt aan het wankelen gebracht en dat betekent lange avonden vol verhalen van de IJkmeesters. Mijn zusje zit ijverig achter de piano opdat de IJkmeesters zien dat wij weten van de dingen, alle dingen. In de IJktorens wordt hard gewerkt maar ook de wijzen zijn in de war. Zij spreken de wartaal uit de wereld van Been I of hullen zich in verborgen zwijgen. De boodschappers en bodes lopen af en aan, brengen nieuws uit de stad en andere steden. Zij vertellen van de dingen, over hoe zij veranderen, hoe de dingen bewegen als zij bewegen. Moerlemeie! Alles lijkt gewoon te zijn, maar alles is anders dan normaal. De dingen veranderen in het hoofd.

Been is Been als men Been ziet. Een schop tegen de schenen is voldoende om gewaar te worden van Been I. We verleggen de grenzen van het begrip der dingen; zodat de dingen zijn wat ze zijn en tevens zijn wat ze niet zijn, want het wezen der dingen is ondoorgrondelijk. Eerste aankondiging van de blubber. Vergeelde gedachten vallen droog uit de mond. Omgekeerd ontregelen zij de zinnen. Zij gaan ten onder in de blubber, slaan neer op de bodem en komen als volzinnen aan de oppervlakte drijven. Heel even een glasheldere gedachte, de oprechtheid nabij. Heel even is de ommezijde van het ding zichtbaar, dichtbij. De gedachten dansen op de toppen van de vingers en sluiten naadloos aan op de werkelijkheid. De mooie jonge vrouw op een bed van droge bladeren veert op. Ze danst op haar hielen. Uit de bomen plukt zij haar kleren, het leven kan aanvangen. De droge bladeren worden meegenomen door de wind. Zij zal niet meer slapen. Van nu af aan zal haar leven een droom zijn en de droom haar leven. Zij is geboren voor het geluk. Achteloos drijft een zwaneveer op het water, de wind wil spelen en ergens tussen het riet lachen de vogels. Op een gegeven moment dromen de dingen hun eigen bestaan De grens tussen droom en werkelijkheid is verdwenen, de vormen vloeien in elkaar over, zodat alle dingen één zijn. Been alles is één. Beendracht maakt macht. De mooie jonge vrouw die sliep op het bed van droge bladeren is opgestaan en is weer gaan zitten. Hoe leidt de weg en waarom? Het verlangen de wereld te ontdekken is groot, te groot voor het bevattingsvermogen van een enkel mens. Als de jonge vrouw gewoon ging lopen. Vergeet de richting, vergeet het doel, slechts de beweging is van belang, want dan gebeuren er dingen. De jonge vrouw zit en staat weer op. De tijding is gekeerd, gedachteloos zwerft zij als een herfstblad dat wordt meegenomen door de wind, als. Achter iedere boom valt iets te ontdekken, want iedere boom staat op zichzelf in het woud, achter elk woud openbaart zich een nieuw landschap: weideland of heuvels, moeras of bergen. Waar is de zee? Waar is het strand? Waar verheffen zich de torens van de stad? Het gekolk der massa? Het gedruis van het aanhoudend feest of de klaagzang van de vernederende ellende. De moerlemeie is groot en wordt alleen maar groter, er wordt geleefd voor de kat zijn kont, want de wijzen weten het ook niet meer. De boodschappers brengen tegenstrijdige berichten De tijd van rust is voorbij. Gelukkig zijn er ouderen van dagen die weten dat de rust nooit was, dat altijd moerlemeie, dat altijd onrust was. De ouderen klagen niet. Zij luisteren geduldig naar de klaagzang van de jeugd en herinneren zich hun tijd. De IJkmeesters maken overuren in de rekenkamers. De wachters op de mooie jonge meisjes zijn ongeduldig. De reizigers wachten op het teken alvorens het woud in te trekken. De mooie jonge vrouw die sliep op een bed van droge bladeren dwaalt door het woud en zoekt naar het onvindbare. De zoektocht is haar leven. Zij zoekt wetende dat ze nooit zal vinden.

Ergens in de heuvels houdt de vijand zich schuil en kan elk moment zijn gevaarlijk duister gezicht tonen. Het offensief zal genadeloos zijn. De soldaten die in het dal een linie vormen zijn uitgeput door voedselgebrek, het defensief is zwak. Zij zullen met een enkele haal van het zwarte zwaard worden neergehaald: ‘Kopteraf’ (met knijpstem). Hupsakee en nog één! En nog één, alle koppen rollen. Het dal wordt slagveld het slachtveld is dal. Waar bloedende. Waar bloedstollende. Waar in mootjes gehakt wordt. Hoog boven de stad prijkt Been I op de hoogste toren, het hoogste Been. Been is symbool, voor alles en niets. Been is beeld, onveranderlijk. Het beeld is Been I. Ook het been op het altaar en het beeld in een donkere nis en het beeld in de harten van de mensen en het beeld in de mond van de predikant, de lange statige figuur die Steeper heet: ‘Been I zal u bevrijden. De psychose is de religie!.’ Hij wijst naar Been I dat zenuwachtig staat te schuifelen naast het altaar. Blikken vol bewondering staren naar hem met grote ogen, scheve ogen, spleetogen, schele ogen, zachte ogen. Been I weet niet hoe het staan moet, het overweegt een danspasje, maar Steeper. ‘Staandebeens,’ murmelen de volgelingen in de kerk. Steeper strekt met een dramatisch, weids gebaar zijn armen uit. ‘Staandebeens met derde Been,’ roept hij met luide stem. ‘Staandebeens met derde Been,’ herhalen de mensen vol eerbied. Achter in de kerk in een donker hoekje zit Rice zijn woede in te houden. Been I is mooier dan ooit tevoren. De dingen bewegen in de verkeerde richting. Als met veel moeite, zweet en tranen de beweging is afgeremd en er nog maar een duwtje nodig is in de goede richting, dan veranderen de omstandigheden en alles loopt weer spaak. Hoop doet beven. Waren het de golven die klotsten, nu zijn het de rotsen die botsen, een muur van steen dat het wilde water terugwerpt. Schuimende koppen keren woest hun blik af en keren aangeslagen terug naar het wijde water. Een zwarte kat ligt opgerold op een stoel, zij heeft geen last van de onrust om haar heen. De deuren van de psychotische kerk staan wijd open. De zware stem van Steeper de predikant galmt door het labyrint dat stad heet. Hoofden draaien verbaasd nieuwsgierig, ogen kijken bewonderend naar beeld Been, een enkeling waagt het om de hoek van de deur te kijken, maar wordt angstig van het chaotisch tafereel. Een kerk vol dolende geesten, verwilderde blikken, extatische moerlemeie, eerder is daar de vlucht dan de toenadering. Been I, waar gaat dat heen? Er is geen weg terug als men het pad in het land van Been betreden heeft, hoe graag men dat ook zou willen. Men is het aan zichzelf verplicht aandachtig de bloemen te bekijken, want ze verschijnen maar een keer langs het pad, en ook de bomen, en ook de dieren, en de lucht, en het zand onder de voeten, of het zacht groene gras of het vochtige mos. Bij alle dingen moet men even of langere tijd stilstaan, het opnemen om te onthouden en te vergelijken met alle dingen die nog komen gaan. Het hoofd vult zich met beelden, de beelden worden blubber en de blubber wordt. Oef, ah, de blubber, het drijfzand, het moeras van de gedachten. Alleen Been blijft staan. Been I is altijd en overal. Been I is stabiel.

Dat de reizigers geen reizigers meer zijn sinds zij in een nederzetting wonen. Dat zij overwegen hun vrouwen te laten overkomen. Dat zij eigenlijk al niet meer wachten op het teken. Dat de Voeder voedt. Dat de Drager draagt. Dat de Drinker drinkt. Dat de Veelvraat vreet. Dat de Geheelonthouder rookt en Dat de Eter eet. Natuurlijk hopen ze stilletjes op het teken. Hier vormt zich een geheel nieuw beeld zo ver van de hoofdweg. Van beweging tot stilstand. Wij weten het niet meer.

Zo waren de IJkmeesters gisteren zeker dat de nieuwe norm zou standhouden, dat even rust, maar vanmiddag kondigde een boodschapper een nieuw bezoek aan. We zullen wederom onze kijk op de dingen moeten herzien. De ene dag uit de war, de daaropvolgende dag in de war. De IJkmeesters weten het niet zodat wij het niet weten. Toch gaat alles goed want de bomen blijven staan waar zij opgegroeid zijn, tenzij de kettingzaag, en de zee blijft zee, ondanks de vervuiling, de zon komt iedere morgen trouw op en ook de maan en de sterren. Op vele dingen valt te vertrouwen doch niet onvoorwaardelijk: de blinden moeten erop vertrouwen dat de maan; de doven dat de vogels fluiten. Ook dat is bij de IJkmeesters bekend, maar zij lijken het te hebben vergeten. Zodra mijn zusje het tuinhekje hoort piepen duikt zij achter de piano en begint ijverig te spelen. Onderhand heeft zij al een aardig repertoire opgebouwd en haar techniek gaat duidelijk hoorbaar vooruit. Al bij binnenkomst zien wij dat er niet veel goeds te verwachten is van de IJkmeesters. Zij dragen dikke pakken papier onder hun armen waaruit zij vrijwel meteen beginnen voor te lezen. Er is geen tijd meer voor koffie en koek of een inleidend praatje. ‘De dingen lopen door elkaar,’ begint een van de IJkmeesters zijn betoog. Wij veinzen aandacht. Onze gedachten zijn met heel andere zaken bezig. Begrijpen doen wij de IJkmeesters al lang niet meer. Daarom maken wij ons ook niet druk meer over de reactie op wat ons verteld is. Wij zijn verlost van het peinzen. Nu denken wij alleen nog aan belangrijke zaken zoals het tuinhuisje dat wij zullen bouwen, of in welke kleur wij ons huis zullen verven. Alleen oom Karel blijft aandachtig luisteren in de hoop dat er toch iets begrijpelijks uit de monden van de IJkmeesters komt. Vaak zit hij na afloop van het bezoek nog uren lang te peinzen op de veranda, maar als wij vragen of hij iets weet, of hij iets begrepen heeft, dan schudt hij mismoedig het hoofd en steekt nog maar eens een pijpje op. ‘Neen,’ mompelt hij gehuld in de rook van zijn pijp.’ Ook de IJkmeesters weten niet meer waar ze over spreken, ze hakkelen maar wat.’

Oja, de eenzame Clown. Hij zit voor het raam, starend met treurige blik naar de lege straat. Graag zou hij weer het middelpunt van aandacht zijn: de grote theaters, de vele vrienden, de geur van de kleedkamers, de spanning voor de act, het overweldigend applaus, de complimenten achteraf en vooral Been. Clown wil Been zoals Been was, een onschuldig been dat zo nu en dan schopt, niet om het schoppen maar vanwege de reflex. Ook Rice treurt om het verlies van Been. Nu pas begrijpt hij Clown ondanks dat hij maar van korte duur van Been heeft kunnen genieten. Rice beseft dat hij Been niet had mogen blootstellen. Hij slaat zich voor het hoofd dat hij Been gebruikt heeft in zijn eigen voordeel. Been loopt mee met een charlatan die hem op gruwelijke wijze misbruikt. Kan Been I gered worden? Wil Been gered worden?

Er is altijd een moment dat de verteller afstand moet nemen van de vertelling, het verhaal laten zijn voor wat het is. Hoe eenvoudig de vertelling ook moge zijn, het is niet eenvoudig afstand te nemen als blijkt dat de vertelling het leven is: de verteller wordt verhaal, hij wordt geleefd door een eerder uitgestippelde lijn, een geschiedenis waaraan niet meer valt te ontkomen. En als de verteller zelf het verhaal geworden is wie vertelt dan uiteindelijk de ware vertelling? Het is als de hand die een hand tekent die een hand tekent. Ho, ho. Alle verbindingen tussen de punten, alle lijnen zijn vaag. Dat de punten er zijn is een feit, dat de verbindingen niet verbroken zijn is een feit, maar dat de informatie diffuus is is ook een feit. War, war, warrig. Slechts in de droom komt alles weer tesamen. Been I lotion. Vitaliseert een vermoeid Been. Stimuleert de doorbloeding, speciaal voor de kuit en het bovenbeen. Ingegroeide teennagels. Als de zijkanten van de teennagels niet op tijd worden geknipt en te nauw of verkeerd schoeisel wordt gedragen, kan de nagel gaan ingroeien. Het geheim van een mooi glad Been, zonder zichtbare rode of blauwe haarvaatjes. Mooi glad. Een goed verzorgd Been, dat is de wens van bijna iedereen, het heeft een magische aantrekkingskracht op onze ogen en geeft de mens een zekere uitstraling die zo belangrijk kan zijn voor het zelfvertrouwen, maar niet iedereen heeft zulk een mooi sierlijk Been. Been I. En de IJkmeesters spreken alleen nog voor zichzelf: ‘Onze zintuigen bepalen de dingen. De dingen bewegen het gemoed, zij bepalen ons denken, de perceptie van de dingen, hoe de dingen zijn, waar de dingen zijn in ruimte en tijd. In een enkel geval wordt het wezen van de dingen blootgelegd. Als men zich met hen kan metamorfoseren, men verplaatst zich in het dier dat men wil vangen, dan vangt men het dier. De jager weet immers wat het dier beweegt. Als men zich verplaatst in de dingen dan openbaart zich het wezen der dingen. Men is het ding: de regendruppel, de bloem in de weide. Het bewust zijn van de dingen. Zoals men de dingen bepaalt zo is de wereld en zoals de wereld is bepaalt de wereld wie men is.’ De verteller vertelt dat de Voeder zich heeft teruggetrokken in zijn hut om na te denken.

Onderwijl omsingelt de vijand het kamp in het dal. Zij verkneukelen zich over de komende overwinning. Dat koppen gaan rollen is een zekere zaak, het is nog een kwestie van tijd, van strategie. Mortieren worden aangerukt, er zijn schietbenodigdheden in overvloed. Er hangt een donkere wolk boven de hoofden van de soldaten die in het dal een linie vormen.

De droom is uitgebleven en ik weet dat bij al mijn maten de mooie jonge meisjes niet in hun dromen zijn verschenen. Het zal een lusteloze dag worden, wij zullen bedroefder zijn dan anders. Wij zullen, wij kunnen de mooie jonge meisjes niet met een glimlach tegemoet treden. Een uitnodiging voor de nacht zal uitblijven want wij zullen futloos zijn en het zal ons zo zwaar te moede zijn dat wij ons verdriet alleen weg kunnen drinken met grote hoeveelheden drank. Wij zullen Palinka en bier door elkaar drinken tot wij laveloos in de armen van de wasvrouwen zullen vallen. Ons gesnurk zal de stad uit de slaap houden.

Joris de te vroeg geboren troubadour leest geduldig in het boek der verboden herinneringen maar begrijpt niets. Zijn ogen glijden over de woorden, hij kijkt wel maar hij ziet niet. De beendorre vrouw is klaar met haar werk en staat met haar armen gevouwen naar Joris te kijken. De pareltjes zweet staan op zijn voorhoofd. Ze lacht vertederd terwijl ze boterhammen met pindakaas smeert. Ze neuriet een deuntje. Joris kijkt wanhopig op van het in leer gebonden boek en zoekt de blik van de beendorre vrouw, of hij alstublieft mag ophouden met lezen, want zijn ogen staan faai, welk een onbegrijpelijke taal wordt hier gebezigd. De beendorre vrouw slaat het boek voor hem dicht. ‘Ik weet, ik weet,’ zegt ze bemoedigend. Ze legt haar hand op zijn schouder. ‘voor alles is een tijd, hier eet maar een boterham.’ Dankbaar kijkt Joris haar aan.

‘Nu is het genoeg,’ zegt mijn oom resoluut. Mijn zusje houdt op met haar pianospel en mijn tantes komen verschrikt uit de keuken, zij drogen hun handen aan hun schort. Mijn oom Karel staat met roodaangelopen hoofd in het midden van de kamer. ‘Die IJkmeesters komen er niet meer in,’ zegt hij. Mijn zusje laat opgelucht de klep van de piano over de toetsen vallen en allen zijn wij blij dat het hoge woord eruit is. ‘Maar hoe?’ vraagt mijn moeder bezorgd. ‘We bouwen een barricade,’ zegt oom Karel, ‘een hek rond het huis, we blokkeren de deur of wij jagen hen weg door met stenen te gooien.’ Snel rennen twee neven naar buiten om tegels uit de stoep te trekken, maar mijn tante houdt hen net op tijd tegen. ‘We doen gewoon de deur op slot en trekken de bel los,’ zegt ze.

Dit is het geluid van de wereld: de aanhoudende zoektocht naar voedsel; voedsel maken; voedsel zijn; voeden; eten. De Voeder denkt. Het verborgen land van Been I. Voor iedereen is het anders. De naam is dezelfde, maar zoveel geesten als er zijn zoveel werelden worden geboren, slechts de overeenkomsten gelden. Het land van Been openbaart zich bij vlagen van verstandsverbijstering, als de witte wanen, als de zwarte wanen, als we bij toeval de ogen openen, de oren spitsen en de huid de gevoeligheid heeft van een pasgeboren baby. Dan mogen wij ons verheugen een wereld te leren kennen die is en niet is, een wereld van verwondering en verbazing, waar liefde en haat één en dezelfde zijn, waar goed en kwaad versmelten in een allesomvattende roes.

Geen van ons treurt om het feit dat we de IJkmeesters de deur hebben gewezen. Alleen oom Karel is enigszins van slag. Hij zit op de veranda met zijn pijp in zijn mond ijverig te schrijven in een in leer gebonden boek. Hij hult zich in een geheimzinnig zwijgen. Mijn zusje speelt ondanks de afwezigheid van de IJkmeesters lustig op de oude piano, tot grote vreugde van mijn tantes die ervan houden tijdens de huishoudelijke karweitjes mee te neuriën met de vrolijke deuntjes die mijn zusje aan de piano weet te ontfutselen. Wij leiden een rustig leventje en stellen onze eigen normen vast. Wij verheugen ons iedere morgen bij het ontbijt op het moment dat wij de normen van die dag zullen bespreken. Mijn neven en ik discussiëren lange avonden en doen bij het ontbijt verslag van onze besprekingen. Zo zeggen wij bijvoorbeeld met zeer veel gewicht: vandaag bejegenen wij de dingen naar believen. Of wij doen zeer geheimzinnig uitspraken als: de dingen bewegen zoals ze moeten bewegen. Wij bewegen zoals wij moeten bewegen. Alle dingen bewegen. Wij kijken daar zeer voldaan bij. Alleen oom Karel lijkt bezorgd over deze ontwikkeling, hij schudt meewarrig het hoofd, maar blijft zwijgen, in tegenstelling tot mijn tantes die meteen naar de keuken verdwijnen om onder het genot van een kopje kruidenthee te bespreken hoe zij het gezegde praktisch kunnen verwezenlijken. Vaak blijven zij urenlang thee drinken en komen nu en dan tevoorschijn om een van de neven of mij om raad te vragen. Zo vragen zij: als wij water tappen uit de kraan en het water in een pan opvangen om er pasta in te koken, moeten wij dan het water welkom heten in ons huis of mogen wij het voor lief nemen en het water lustig uit de kraan laten lopen? Wij neven kijken elkaar aan met denkrimpels op onze voorhoofden. Over dit soort praktische zaken hebben wij nog niet nagedacht en we beloven de tantes erover na te denken, tot zolang moeten zij maar geen water tappen. Wij neven verdwijnen naar de bibliotheek of gaan in de tuin zitten beraadslagen. Meestal komen wij voor het middageten tot overeenstemming zodat mijn tantes nog net tijd hebben om het eten te bereiden. Het is al even vreemd te bedenken dat de wereld kleiner wordt naarmate de tijd verstrijkt.

Opstand der dingen
Zodra we de dingen leren begrijpen komen ze min of meer tot stilstand. Er blijft weinig meer over dan lege omhulsels die niet meer het doel lijken te dienen waarvoor zij ontstaan dan wel gemaakt zijn. Stilstand is funest. De stand der dingen keert zich tegen ons, want de oprechtheid ten opzichte van de dingen laat te wensen over. Verbazing en verwondering verdwijnen. Men neemt de dingen voor lief en men verliest de tedere onschuld. Vergeet toch de eigenschappen en ken nieuwe toe! Het vlijmscherpe mesje in de wasbak loert naar de vingers. De hete olie in de pan spat venijnig naar de blote buik van de kok. De opstand der dingen komt geruisloos naderbij, maar niet zo geruisloos dat ze niet wordt opgemerkt.

Per ommegaande de kerk door. Been I wordt hoog boven de hoofden van hand tot hand de kerk door de kerk gedragen. Alle handen willen hem aanraken, alle ogen hem bekijken en de geesten worden verlicht. Terwijl Been I door de kerk wordt gedragen - de sfeer is aardig opgehitst, ogen draaien wild in de oogkassen, gezichtsspieren verkrampen, en de massa roept Been I aan - staat Steeper W.J. predikant achter de katheder de religie te verkondigen. ‘Psychose is de religie,’ De woorden overstemmen het rumoer in de kerk niet, maar de woorden worden van mond tot mond doorgegeven. ‘Het is van geen enkel belang te weten wat de dingen zijn, en zeker niet hoe wij de dingen bejegenen.’ zegt Steeper. Steeper W.J. houdt niet van de IJkmeesters. Zij hebben bepaald dat lopen op drie benen ongepast is. Per decreet maakten de IJkmeesters dit bekend in de hoop de overweldigende populariteit van Been I, het derde been, in te dammen. Gelukkig voor Steeper slaagden zij daar maar matig in, maar toch, zij hadden een oorlogsverklaring getekend en Steeper nam gretig de handschoen op. Hij kan het niet laten tijdens zijn dagelijkse preken te sneren op de IJkmeesters. Hij heeft er een dankbaar onderwerp aan want de volgelingen van Been I worden achtervolgd door nieuwe normen en waarden die de IJkmeesters vaststellen om ze vervolgens te herroepen en met nieuwe maten te meten. De IJkmeesters zijn krankjorem, volslagen losgeslagen. Ze zouden prima volgelingen zijn van Been I ware het niet dat ze verbonden zijn aan het IJkwezen en daarom gebonden aan de regels van de IJkkring. De regels zijn niet onterecht, zij waarborgden in vroeger tijden de integriteit van het IJkwezen, maar de huidige tijd kent andere regels en zoals het er nu naar uitziet verliezen de IJkmeesters terrein. Deuren blijven voor hen gesloten, de mensen weigeren nog te luisteren naar de wartaal van de eens zo gerespecteerde meesters. Steeper daarentegen wint terrein, de kerk zit altijd vol, naar zijn preken wordt met aandacht geluisterd. Been I kent vele aanbidders.

De verteller daagt zijn toehoorders uit. De groep is gegroeid met vier meer lerende geesten. Hij vertelt hetzelfde verhaal keer op keer op andere wijze en altijd weer zijn de toehoorders verbaasd en ogen zij gelukkig. ‘De Wachters op de mooie jonge meisje.’ De verteller pakt de draad weer op. ‘Zij staan nog steeds te wachten aan de poort.’ Wij hebben gewacht elke nacht en nochtans zijn de mooie jonge meisjes niet verschenen. Ook uit onze dromen blijven zij weg, maar uit onze gedachten zijn zij niet verdwenen. Wij verlangen, wij smachten en trachten een methode te vinden de mooie jonge meisjes naar de poort te lokken en hen te verleiden met grootspraak. De mooie jonge meisjes lijken van de aardbodem te zijn verdwenen. De wasvrouwen lachen. Wij steunen elkaar in de strijd tot het behoud van het ideaal de mooie jonge meisjes binnenkort te ontmoeten, te schaken, met hen samen te zijn om sappen te verenigen. Eén blik is voldoende, weten wij, om de mooie jonge meisjes te laten smelten, misschien één enkel woord, of een stukje van een zin dat verlangen uitdrukt. Enkelen van ons fluisteren dat we de mooie jonge meisjes niet waardig zijn, maar wij hebben de neiging deze veronderstelling af te doen met het tonen van onze trotse mannenlichamen, elkaar te bekloppen en elkaar te feliciteren met onze mooie, sterk gespierde lichamen. Wij drinken graag een glaasje op elkaars gezondheid en staan elkaar bij als een van ons kwakkelt. Afvalligen worden teruggeroepen. Zij die zich verenigen met de wasvrouwen worden doodgezwegen of wij sneren op hen met sarcasme. Want de mooie jonge meisjes zullen weerkeren, dan zullen de feesten weer groot en vrolijk zijn en daar kunnen wij ons op verheugen. Wij wachten al lang en kunnen gerust nog langer wachten, want ons verlangen is groter dan wij zelf zijn.

Rommel bommel, wat een gestommel! Benen rennen af en aan. Drie paar been; staande been; drie pijpen aan de broek, drie paar schoenen en ook de sok. De benen zijn krachtig, gevoed door de overtuiging dat drie been altijd beter dan. Beendracht maakt macht! Een mooi glad been. Been I. Het hoogste ideaal: Staandebeens met derde Been, de status die Steeper W.J. zich aangemeten heeft sinds hij in gezelschap van Been I is. Zijn krachtige stem roept de mensen bijeen in de kerk om de psychose te vieren. Hij ontfermt zich over de moedelozen die wankelen op de rand van de zin, waar zin verwordt tot onzin, waar waan staat voor waar. Hij roept de psychose uit tot religie, het bovennatuurlijk zijn als ideaal. ‘De gedachten krioelen in weergaloos vermaak, de dreigende aftocht van de zinnen. Heil voor de Zwakhoofdigen!’ roept Steeper uit over de hoofden van zijn gemeente. Hij slaat met vuisten, vol vuur staan zijn ogen. Hij zweept op én brengt rust terug. Hij brengt de gemoederen in beweging. Elk woord weegt zwaar, want er ligt gewicht in zijn stem. En als de preek voorbij dan mengt hij zich onder het volk om Been te vieren. Hij kijkt de mensen doordringend aan en leest hun wanhopige gedachten. Geen mogelijkheid laat hij aan zich voorbijgaan een verloren schaap binnen te halen en hem of haar Been I te tonen. En altijd ziet hij de tomeloze verbazing spreken in de gezichten. Been laat zich gewillig leiden in de wereld die Steeper voor hem bedacht en gemaakt heeft: er is geen Clown, er is geen Rice, Steeper is Staandebeens en hij is het derde been. IJkmeesters die de dingen ijken. IJkmeesters die de aandacht voor de dingen ijken. IJkmeesters die de normen ijken. IJkmeesters die de waarden ijken. IJkmeesters die IJkmeesters ijken. IJkmeester der IJkmeesters. Allen zijn zij in de war en de prognose van deskundigen wijst er niet op dat er snel verandering komt in de situatie. De IJkmeesters zijn vooral vasthoudend als er aanmerkingen worden gemaakt op de IJken en trekken zich vooral niets aan van afvalligen.

Een leeg perron, een leeg station. Plotseling is er een trein. De deuren klappen open, de conducteur steekt zijn hoofd naar buiten en kijkt over het perron. Het lijkt alsof hij wacht op een passagier, neen, alsof hij met zekerheid weet dat er iemand in zal stappen. Hij heeft een fluitje in zijn hand maar maakt nog geen aanstalten er op te blazen, hij kijkt ernaar en laat het dan uit zijn handen vallen. Het fluitje valt rinkelend op het perron. De conducteur stapt uit, nog steeds uitkijkend naar de passagier en bukt om het fluitje op te rapen. Hij werpt een schuine blik op het treinstel. Vanachter de ramen kijken dwingenden ogen hem aan, hij aarzelt, pak dan het fluitje en loopt gehaast terug naar de trein. In de trein is iemand opgestaan, de vrouw kijkt naar een van haar medepassagiers. Ze loopt langzaam door het gangpad en bereikt de uitgang net op het moment dat de conducteur weer instapt. ‘U moet nog wachten.’ zegt ze gebiedend. De conducteur knikt, nog even kan hij wel wachten, ze hebben op het eerste deel van het traject iets op de tijd ingelopen, maar over een minuut moet hij toch echt weg anders kijkt hij problemen. ‘Als u maar wacht,’ zegt de vrouw, ‘u weet wat we u hebben gezegd!’ De conducteur knikt en kijkt dan naar de uitgang van de vertrekhal. De vrouw gaat terug naar haar plaats. ‘Hij komt wel,’ zegt ze hardop zodat iedereen het kan horen. De trein staat aan een leeg perron te wachten op een nieuwe passagier. Een passagier die nodig is om een groot aantal verhalen af te maken of voortgang te verzekeren. Hoewel de treinreizigers in de derde coupé van de trein totale vreemden voor elkaar zijn, hebben zij toch iets gemeen, namelijk dat zij de passagier nodig hebben; ze zijn allen in een verhaal terechtgekomen waar hij deel van is. De verteller wacht tot hij zeker weet dat de verhalen alleen tot een einde kunnen komen als hij in de trein stapt. Begrijpen doet hij het niet, want vreemd genoeg heeft hij slechts een keer één trein laten voorkomen in een van de vertellingen. De verteller ziet dat de conducteur het fluitje naar zijn mond brengt en zijn wangen vult met lucht. Op het moment dat de scherpe toon over het perron sneert stapt hij naar voren het perron op, een tas onder zijn arm gedrukt. Met een quasi onschuldig gezicht loopt hij naar de trein. Hij stapt niet in bij de derde coupé. Opzettelijk stapt hij in de laatste coupé. De conducteur heeft hem gezien, zijn personages nog niet. De deuren sluiten terwijl de trein in beweging komt.

‘Het is met geen mogelijkheid te vertellen wat de jonge vrouw die sliep op een bed van droge bladeren heeft doormaakt. De gebeurtenissen volgden elkaar in een hoog tempo op, zonder daadwerkelijk bij te dragen tot het verhaal, maar gebeurtenissen zijn gebeurtenissen en ze vormen het karakter van het verhaal. Veel is verloren gegaan, maar enkele episodes zijn gered. De mooie jonge vrouw vindt de rand van het bos, kijkt over de lege vlakte en maakt snel rechtsomkeert omdat de leegte haar beangstigt, ondanks de heuvels en het groene gras en de twee menselijke figuren die ze in het dal ziet staan. Misschien beangstigt dat laatste haar wel het meest. Zij komt vele dieren tegen en hoort vele geluiden die nieuw voor haar zijn. Alles is nieuw als men zolang geslapen heeft. De mooie jonge vrouw die sliep op een bed van droge bladeren wandelt, rent, schuifelt, zwemt. Zij leeft van de bessen en wortels die zij vindt en verlangt zonder het te weten naar een kind.’

‘De nederzetting aan de rand van het woud waar de Diafaan danst is uitgegroeid tot een waar dorp. Er is een pleintje waar de hutten van de ex-reizigers omheen staan. Ieder heeft een taak op zich genomen. De Eter verzamelt voedsel. De Drinker graaft een put. De Geheelonthouder verbouwt tabak. De Veelvraat zet vallen uit. De Drager helpt bij het bouwen van de hutten en de Voeder denkt na over het teken en delegeert de taken.’

In de derde coupé van de trein heerst verwarring. Niemand heeft hem zien instappen.Toch is de trein vertrokken. De conducteur hadden zij weten te overtuigen van het belang op het betreffende station te stoppen, -het station wordt normaal gesproken nooit aangedaan, het is opgeheven- en te wachten tot de passagier waarvan ze zeker weten dat hij daar zou wachten zou zijn ingestapt. De trein was in beweging gekomen maar niemand was ingestapt en de conducteur was plotseling niet meer te vinden. ‘Hij is er,’ zei de langharige jongen die de hele reis zwijgend in een hoekje had gezeten. ’Ik zag hem op het perron van achter een pilaar tevoorschijn komen, hij is ingestapt.’ ‘Maar waar...?’ zegt een oudere heer onzeker. ‘Hij zal komen.’ antwoordt de jonge man. De verteller weet zich voor lange tijd opgesloten met zijn personages. Het bevalt hem allerminst, maar hij kan er niets tegendoen. Als hij beter had opgepast zou dit niet zijn gebeurd. Hij is zelf verhaal geworden en wordt verteld, vooralsnog. Er moet een manier zijn om de touwtjes weer in handen te nemen, om het verhaal en daarmee de wereld te bepalen. Er moet een achterdeur zijn in deze fictieve wereld waardoor hij kan ontsnappen zodat hij weer rustig in de torenkamer zijn verhaal kan doen. De verteller vertelt zichzelf. Joris hoort de langzaam gesproken woorden ademloos aan. De stem in zijn linker oor zwijgt al gedurende lange tijd want de verteller vertelt en dan is iedereen stil. Een maal doorbrak de stem de code. Joris dwaalt af met zijn gedachten en kijkt, nieuwsgierig naar de toehoorders, de kamer rond. De stem blaast in zijn oor. ‘Luisteren, kijken kan later!’ zegt ze. Joris heeft een glimp opgevangen van een mooie jonge vrouw die half verscholen achter een stapel boeken op de grond zat. De verteller vertelt. ‘De verteller zit in de lege coupé bij zichzelf te beraadslagen wat hij het beste kan doen. Hij kan de confrontatie aan gaan en meteen korte metten maken of nog even afwachten om te kijken of er iets onverwachts gebeurt dat hem kan redden.’ ‘Nog steeds wachten de soldaten in het dal het moment af dat ze afgeslacht zullen worden, want daar zijn ze nu wel van overtuigd. Elk moment kan de onzichtbare vijand toeslaan. Enkele soldaten hebben het hazepad verkozen boven de gruwelijke en vooral nutteloze dood. Het overgrote deel van de manschappen is niet bij machte het kamp te verlaten. Ze zijn zwak en uitgehongerd, of ze zijn bang voor het vuurpeloton dat hen wacht als ze gesnapt worden. Neen, het is geen pretje soldaat te zijn en te weten dat de dood zich schuilhoudt in het struikgewas, achter een heuveltje, of aan de rand van het bos.’

De nieuwigheid is eraf. Mijn neven en ik hebben vele bezigheden gevonden en houden ons niet meer bezig met het vastleggen van normen en waarden ten opzichte van de dingen. We zijn tot de conclusie gekomen dat het niet uitmaakt hoe de dingen bejegend worden of beter: dat het wel uitmaakt, maar dat je het niet kunt vastleggen in regels. Iedereen heeft zo zijn eigen beeld of visie en die moet gerespecteerd worden. De tantes zijn zeer teleurgesteld door ons besluit voortaan geen bijeenkomsten meer te houden. Zij hadden zo genoten van de thee-uurtjes, besprekend wat toch te doen met onze uitspraken. Nu moeten zij zich weer bezighouden met de saaie huishoudelijke werkzaamheden zonder de tussenkomst van een filosofische impasse, als wanneer zij het water moeten koken en het water geen pijn willen doen en zij niet meer weten wat zij moeten doen. Vroeger vroegen zij de neven en mij om raad, maar wij antwoorden niet meer op zulke vragen. Wij houden ons bezig met praktische zaken en laten de filosofie over aan gekken en dwazen, zoals Steeper W.J. in de psycho¬tische kerk. Het zij beter zo want het kost veel tijd en energie om theorie na theorie op te bouwen en weer af te breken, om norm na norm, om waarde na waarde keer op keer te bekijken of zij nog bestaansrecht hebben, of dat zij bijgesteld moeten worden. Oom Karel doet vreemd de laatste tijd. Hij heeft zich teruggetrokken in zwijgzaamheid en zit de hele dag te denken en schrijven. Niemand van de familie weet waarover, zelfs mijn zusje niet die een hechte band heeft met haar oom door hun gemeenschappelijke interesse voor de piano en de mooie muziek die daaruit komt. Oom Karel rookt zijn pijp, denkt en schrijft.

‘Weliswaar dromen wij niet van de mooie jonge meisjes, maar dat weerhoudt ons niet over hen te praten en te fantaseren. Over grote blanke borsten, lange slanke benen, vol ronde billen en van het geil druipende gleuven. Ons gesprek van de dag neemt verontrustende wendingen als enkelen van ons hun perverse fantasieën ten gehore brengen. Plastische omschrijvingen van geslachtsdelen: slurpende kutten, stinkende roedes, wijkende billen en samengebonden borsten. Extremiteit na extremiteit, want de wanhoop is nabij. Maar wij waken gezamenlijk voor de moraal door terecht te wijzen en met romantische verhalen de sfeer te bepalen, want het zoete verlangen naar de mooie jonge meisjes staat voorop, hoe klein wij de kans ook schatten dat ze ooit nog zullen komen.’

‘Hoort u bij die groep mensen in de derde coupé?, vraagt de conducteur argwanend. De verteller knikt. ‘Ik zou maar maken dat ik wegkom, want die lui zijn gevaarlijk, ze hebben mij gedreigd met geweld als ik de trein niet zou stoppen.’ ‘Het spijt me,’ zegt de verteller.,’Ik had het liever ook anders gehad.’ ‘Mag ik uw kaartje,’vraagt de conducteur. ‘Een kaartje?,’ zegt de verteller onzeker. ’Het loket was gesloten.’ ‘Laat u ook maar, ik weet niet wat er met me aan de hand is, maar ik wil het u niet moeilijker maken dan het is. U moet maar doen wat u te doen staat.’ Hoofdschuddend loopt de conducteur weg de verteller enigszins in de war achterlatend. De verteller zou willen dat een andere verteller de verhalen van hem overneemt en hem de uitgang toont uit de impasse waarin hij zichzelf verteld heeft. Hij bevindt zich in de trein in gezelschap van zijn personages en hijzelf is personage geworden. Het is een gesloten cirkel in het labyrint van verbanden en alleen met een schok, met een onverwachte wending van het verhaal zou hij uit de cirkel geslingerd kunnen worden, een plotselinge beweging, een naar het midden vliedende kracht of een abrupte stilstand. Hij is niet bij machte zijn eigen verhaal te vertellen. Hij heeft zichzelf buiten het spel geplaatst.

Wanhopig kijkt hij de toehoorders in de torenkamer aan, maar geen van hen is in staat het verhaal af te maken, hoewel... de te vroeg geboren troubadour. De verteller kijkt Joris strak aan, maar laat de gedachte weer varen als hij de glazige blik van Joris ontmoet. Deze jongeman kan het vertellen niet overnemen, hem vertellen, hem redden uit de trein. De verteller is in stilzwijgen vervallen en staart met lege ogen naar het vuur in de haard. Als hij na lange tijd nog niets gezegd heeft staat Steeper W.J. op. ‘Ik denk dat dit het einde betekent,’ zegt hij lopend naar de deur.

‘Ik zal wel voor hem zorgen,’ zegt de mooie jonge vrouw. ‘Als zijn tong weer loskomt roep ik u weer bij elkaar, is dat goed?’ Steeper knikt. ‘Waarschuw mij als hij gaat raaskallen. Kallen is mallen en doen is een ding,’ zegt hij plechtig. Joris maakt zich stilletjes uit de voeten. De stem in zijn oor fluistert: ’Je moet vertellen Joris, je moet vertellen.’ Joris denkt alleen maar: ik kan het niet, ik kan het nog niet. ‘Om te kunnen vertellen moet je eerst veel hebben meegemaakt,’ zegt de beendorre vrouw als Joris weer in de keuken van het Brokkenhuis koffie zit te drinken en haar zijn probleem heeft voorgelegd, ‘Lezen is niet voldoende. Je zult weg moeten gaan om te leren, voorbereidingen voor een reis moet je maken, mensen ontmoeten, de dingen zien bewegen, dingen in beweging brengen, dingen tegenhouden, je moet van je doen laten spreken en het vertellen oefenen. Het is tijd Joris dat je je lot aanvaardt, dat je je moeders woorden waarmaakt en het ambacht dat je is verleend uit gaat oefenen. Joris, vanaf heden ben je Joris de Troubadour, dit is jouw tijd.’ Met open mond heeft Joris de woorden van de beendorre vrouw aangehoord en hij voelt grote angst voor wat komen gaat. Zal de beendorre vrouw hem de deur van het Brokkenhuis wijzen. De stem die nog steeds in zijn oor huist zucht diep. ‘Joris, Joris, wat een gedachten,’ zegt de stem. ’Ik zal er altijd zijn wanneer je me nodig hebt. Neem je instrument en ga voordat de beendorre vrouw het je beveelt.’ Joris lacht flauwtjes naar de beendorre vrouw. ‘Nou, dan ga ik maar,’ zegt hij. Hij slaat het stof van zijn gitaar en bindt de versterker op zijn rug. De beendorre vrouw overhandigt hem een knapzak met proviand. ‘Dag Joris, het was fijn je ontmoet te hebben en ik hoop je snel weer terug te zien.’ Met die woorden sluit de beendorre vrouw de deur van het Brokkenhuis achter hem. De beendorre vrouw staat even later aan het fornuis in een koperen ketel te staren. ‘Kijk nooit te diep in de ogen van de tijd,’ zegt ze. ’Laat hem zijn weg vinden.’ Ze is er niet zeker van dat Joris de vertelling kan redden, maar er is geen alternatief, alle verhalen liggen stil tot Joris. Het zoude overtollig zyn, de Nuttigheid van de Beschryving breedvoerig aantetoonen, vermits dezelve ieder een ten eersten in ‘t Oog valt; dus gaan wy ook met stylzwygen voorby aan het Vermaak dat men tydens het reizen kan scheppen. Waanstad. Deze groote, prachtige, volkryke en magtige koop-stad, en de Vyfde in Rang onder de stemhebbende Steden in het land van Been, is gelegen in het Zuider Gedeelte der provincie Waan, oftewel het Land van Waar en Waan. Volgens myn bestek zyn wij genoodzaakt, ons van eene zeer bekorte Wyze in ‘t beschryven dier Stad te bedienen, nademaal tot ene uitvoerige Beschryving van dezen Zetel der Pracht en des Rykdoms geheele Boekdeelen naauwelyks toerykende zyn; dus moet ik me vergenoegen met te zeggen: dat deze Koningin der koopsteden onnoemelijke Schatten van Koopwaaren uit alle Gewesten der Wereld in haar ruimen Schoot bevat; Derdehalf Uuren gaans in den Omtrek heeft, en aan de land-zyde gesterkt is door eene breede Watergragt en een aanzienlyken Aarden-Wal, zynde buitenwaardts geheel en al van Steen opgehaald en met 26 groote en regelmaatige Bolwerken voorzien, tusschen welken zich in de Gordynen 5 schoone groote poorten, de Fluisterpoort, de Liefdespoort, de poort van Goed en Kwaad, de Oosterpoort en de naamloze poort die leidt naar de Brakkegrond, en 3 kleine poorten, de Spiegelpoort, de Beenpoort en de Dollenpoort, onder alle werken de Fluisterpoort de fraaiste is en als een prachtig stuk werk uitmunt. Joris loopt fluitend onder de poort door en hoort de fluisterende stemmen niet die boven hem klinken. Met grote ogen van verbazing kijkt hij naar de stad die bruist van de bedrijvigheid. Overal ziet hij bodes en boodschappers, Maanisten, Magiërs, tovenaars, ambachtslieden en vele anderen die de stad bevolken. Joris voelt zich klein onder deze grote geesten. Hij maakt zichzelf onzichtbaar door zich in de massa te begeven, maar niets blijft geheim voor de IJkmeesters en al de boodschappers in hun dienst, want al snel wordt hij bij naam aan gesproken door wildvreemden die hem vragen te verhalen over de gebeurtenissen in de stad en hen nieuws te brengen aangaande de dingen zoals deze de wereld bewegen. Joris blijft hen meestal een optreden schuldig omdat hij nog maar weinig weet en alleen over de heimelijke liefde kan zingen die hem tart sinds hij een glimp heeft opgevangen van de naamloze mooie jonge vrouw in de toren van de verteller. Somwijlen zingt hij over de schone dingen die hij gedurende zijn verblijf in het Brokkenhuis over het land van Been heeft gelezen Er is door de gansche Stad eene schier ontelbaare Menigte van middelmaatige en kleine Herbergen verspreid. Doch een Reiziger en Vreemdeling diend voor alle Dingen de uiterste Voorzichtigheid te gebruiken in het verkiezen eener Herberg, en niet zonder Onderscheid aan de schoonschijnende Dienstvaardigheid dergeenen, die zich voor Wegwyzers aanbieden, het Oor te leenen, wyl menig Mensch daardoor bedrogen en in Ongeluk gebragt word. Het is onbelangrijk te vertellen waar Joris zijn intrek heeft genomen, voor degene die het toch wil weten: herberg de Witte Waan in het centrum van de stad is zijn residentie. Mocht iemand geïnteresseerd zijn in de aard van de herberg dan wordt hij/zij gaarne verwezen naar de stadsgids of de zakatlas van het land van Waar en Waan. ‘Ik zal dus mijn eigen verhaal moeten vertellen, hoe saai het ook moge zijn, denkt Joris of beter vertelt Joris.

De toehoorders zijn allang blij dat er een verteller is. Joris vertelt zijn verhaal in besmuikte kroegen waar het gajes, waar het geteisem, waar het schorem, waar het schorriemorrie. Hij vertelt over zijn onzekerheid en hoewel de verhalen slaapverwekkend zijn luistert het tuig van de richel met aandacht voor elk detail. En zowaar, hun inspanning wordt beloond als Joris juweeltjes van verhalen vertelt over de mooie jonge vrouw naar wie zijn hart uitgaat. De kannen zuurbier worden aangerukt om Joris aan het praten te houden want het volk weet dat troubadours het best vertellen als zij onder invloed zijn. Hun hart open breekt open en de mond stroomt over. Joris vertelt. Hij weet veel en niets over de mooie jonge vrouw. De verteller vertelde over haar hoe zij had geslapen, naakt, en hoe zij beschaamd was ontwaakt en dat zij dwaalde als een door de wind meegenomen boomblad. Joris kwam tot de ontdekking dat als hij haar verhaal naar waarheid moest vertellen hij de mooie jonge vrouw zou moeten opzoeken zodat hij haar leven kan vertellen. Hij moet er voor waken niet zelf verhaal te worden, dan wacht hem hetzelfde lot als de verteller. Peinzend kijkt Joris naar zijn lege bierpul. Hij wordt op zijn schouder getikt. Als hij opkijkt ziet hij een man van zijn eigen leeftijd met lang krullend haar en diepliggende vertrouwde ogen naar hem kijken. ‘Mijn naam is Franti. Ik ben boodschapper. Ik vernam dat u een troubadour bent,’ zegt hij.’Mag ik erbij komen zitten?’ ‘Natuurlijk,’ zegt Joris verbaasd. Hij is het nog niet gewend dat mensen hem aanspreken.’Ik ben een slecht verteller dus verwacht geen schone schijn.’ Franti de boodschapper lacht. ‘Ik ken vele verhalen, goede en slechte, maar daar kom ik niet voor. Ik bied u mijn vriendschap in ruil voor een vertrouwelijk gesprek.’ Hij kijkt Joris indringend aan. Joris knikt en kijkt dan onwillekeurig naar zijn pul. De boodschapper ziet het en wenkt naar de waard dat er bier op tafel moet komen. ‘Ik heb geen dukaten, nog geen grijpstuiver om dat te kunnen betalen,’ zegt Joris snel. ‘Maak je daar maar geen zorgen over,’ zegt Franti die deze kleine ontboezeming aangrijpt om Joris met jij aan te spreken. Het bier komt op tafel en ze drinken gulzig. ‘Wil je iets eten?’ vraagt Franti. ‘Je ziet er uitgehongerd uit en met een lege maag kan men niet helder nadenken. Laat me balkenbrei bestellen en brood, ik zou zelf ook wel iets kunnen eten.’ Joris knikt dankbaar, maar is ook bezorgd want voor niets gaat alleen de zon op. Wat zijn de beweegredenen van deze boodschapper? Iets kriebelt in zijn oor en meteen is zijn argwaan verdwenen, ‘heb vertrouwen,’ had de beendorre vrouw hem toevertrouwd. ‘Het is vermoeiend troubadour te zijn zonder de kunde van het vertellen te beheersen,’ zegt Joris. ‘Iedereen vraagt, maar ik heb geen antwoord.’ ‘Daarvoor ben ik hier,’ zegt Franti, ‘Ík ben geboren in mijn tijd en ben bovendien al heel lang boodschapper van de IJkmeesters. Ik kan je meer vertellen dan je nu weet. Ik heb horen vertellen over een mooie jonge vrouw die sliep op een bed van droge bladeren. Ik ken haar geschiedenis. De mooie jonge vrouw toen ze bij de stad aankwam, toen zij de stad naderde, toen zij de stad binnen ging. Ik heb het gehoord en gezien. Zij is van grote schoonheid. Men weet van haar bestaan, want de verteller heeft over haar verhaald, maar men weet niet alles, want de verteller wist niet alles omdat wij, dat wil zeggen de boodschappers, hem niet alles vertelden, slechts wat wij mochten vertellen van de IJkmeesters, zij delen de dienst uit.’ ‘Maar, maar de IJkmeesters zijn in de war,’ sputtert Joris. ‘Ach nee, dat is overdreven. Enkelen van hen houden zich bezig met waanideeën. Wij noemen hen de Waanmeesters. Nee het IJkwezen is in tact, de IJkkring functioneert naar behoren, alleen laat het IJkwezen minder van zich horen. Het zijn moeilijke tijden, er is een overvloed aan informatie en de IJkmeesters hebben het moeilijk genoeg met selecteren en verwerken van de informatie dat ze er niet toe komen de dingen te ijken. Helaas zijn de Waanmeesters actiever en lopen er ook veel dolende boodschappers rond die de waanzin verspreiden. Dat maakt het er allemaal niet makkelijker op, maar wees gerust het ziet er allemaal erger uit dan het is.' Franti legt een stuk balkenbrei op een homp zwart brood. Al kauwend gaat hij verder. ‘De IJkmeesters zijn te vertrouwen, we moeten oppassen voor figuren als Steeper W.J., de predikant van de Psychotische kerk, die brengt de waanzin nog aan de macht met zijn opzwepende preken. Hij bedoelt het goed. Hij wendt alleen de macht van Been I en van zijn positie Staandebeens-met-derde-been verkeerd aan, althans dat beweren veel IJkmeesters, hoewel ze het hem zeker niet kwalijk nemen. Voorlopig zijn ze blij dat hij het volk bij elkaar houdt zodat ze niet de moerlemeie groter maken. Tezelfdertijd heeft het IJkwezen meer tijd voor de vergaring van kennis omtrent de crisis die is ontstaan.’ ‘Dus er is een probleem?’ vraagt Joris onnozel. ‘Of er een probleem is? Alles is een probleem en niets is een probleem. De verteller vertelt niet meer. Alle verhalen liggen stil, we herhalen alle verhalen om maar de schijn op te houden, om in beweging te blijven, om wat voor reden dan ook. Kijk om je heen! Wat zie je?’ ‘Mensen die bier drinken en lachen.’ zegt Joris om zich heen kijkend. ‘Ja ook,’ zegt Franti.’ Wat dacht je van die uitdrukkingsloze gezichten op straat, zoekend naar vertier dat niet werkelijk is, of de verdwaalde gezichten van waanzinnigen en psychoten die de straten van de stad meer en meer bevolken?’ ‘Er zijn zoveel verhalen te vertellen dat ik niet weet welke belangrijk zijn voor het grote verhaal.’ zegt Joris. ‘Dat is een kwestie van persoonlijke keuze,’ ‘Keuze, ik weet niet wat een keuze is, alle dingen gebeuren.’ ‘Neem er uit wat voor jou belangrijk is. Als een verhaal van enige waarde is dan zal het zichzelf vertellen. Je zou kunnen beginnen met de verhalen die de verteller begonnen is, de andere verhalen zullen zich zeker bekend maken.’ Franti zwijgt even. ‘Je bent geïnteresseerd in de mooie jonge vrouw die de verteller verzorgt, niet?’ Joris knikt. ‘Begin daar dan mee!’ ‘ Ja,’ zegt Joris,’maar hoe?’ ‘Om te beginnen kun je mij uithoren, maar ik ken alleen het laatste deel van het verhaal, jij kent het begin.’ Joris kijkt Franti verbaasd aan. Ja dat is een begin, denkt hij. ‘Niet meteen’ zegt Franti de uitdrukking op het gezicht van Joris lezend. ‘Eerst gaan we meer bier drinken, we hebben tijd genoeg.’ Weer wenkt hij de waard die lachend aan hun tafel komt staan. Het doet hem deugd dat zijn gasten zich het bier goed laten smaken. ‘Zijn de heren op doorreis,’ vraagt hij nieuwsgierig. Franti staat op en schudt de hand van de waard. ‘Franti, IJkbode, geheel tot uw dienst en deze jongeman hier ,’ hij kijkt naar Joris,’ is Joris de stadstroubadour.’ De waard toont een brede glimlach op zijn volle maansgezicht. ‘Dan moet er verteld worden,’ zegt hij en hij schudt Joris de hand. ‘Bespeelt U een instrument?’ Joris pakt zijn gitaar op. ‘We hebben geen elektriek,’ zegt de waard teleurgesteld. ’Maar een goed verhaal is ook goed. Welke verhalen kent U?’ Joris denkt na, neemt een slok van zijn bier, leunt ontspannen achterover en begint te vertellen. Hij bedenkt dat hij eigenlijk veel verhalen kent die anderen alleen kennen van horen zeggen, al de verhalen van de verteller die hij gelezen en gehoord heeft zijn geen gemeengoed. ‘Ik ken de verhalen van de wachters die immer aan de poort staan wachten op de komst van de mooie jonge meisjes. Ik ken de gebeurtenissen rond de reizigers die zijn neergestreken aan de rand van het woud waar de Diafaan danst. Ook soldatenverhalen zijn mij bekend, van de soldaten in het dal en de soldaten in de heuvels die zich opmaken voor een gemakkelijke strijd. Niet te vergeten de vertelling van de opstandelingen die de dingen naar believen bejegenen.’ ‘En het verhaal van de mooie jonge vrouw die sliep op een bed van droge bladeren,’ vult Franti aan, die weer is gaan zitten en trots naar de waard kijkt. ‘Zie eens aan, daar moet op gedronken worden,’ zegt de waard de daad bij het woord voegend. Hij schenkt de pullen nog eens vol en loopt dan tevreden naar de gelagtafel waar hij de aanwezigheid van de stadstroubadour verkondigt. ‘ Zie je?’ zegt Franti. ’Er ligt een belangrijke taak voor ons weggelegd, de verhalen dienen opnieuw verteld te worden opdat men weet waar alles over gaat.’ Joris denkt na. ‘Spreek je gedachten uit, zodat wij van gedachten kunnen wisselen,’ zegt Franti. Ondertussen is de gelagkamer van de herberg volgelopen en iedereen weet dat de stadstroubadour aanwezig is. Er hangt een afwachtende sfeer, men drinkt en praat, maar vanuit de ooghoeken kijken zij naar de hoek waar Joris en Franti zitten te praten. Onder het volk bevinden zich vele boodschappers uit andere steden die het verhaal van Joris willen meenemen naar hun stad. ‘Joris, je moet vertellen,’ klinkt het plotseling in Joris’ linker oor. De stem van de beendorre vrouw spoort hem aan. Joris kijkt verschrikt op en ziet vervolgens dat vele ogen op hem gericht zijn. Ai, denkt hij. Het ligt in de lijn der verwachting dat Joris zal gaan vertellen. De waard weet het. Het volk weet het. Franti weet het. De beendorre vrouw weet het en Joris weet het nu ook.

‘Geen avontuur is groot genoeg’, zegt hij tegen Franti, luid genoeg voor het volk om het te horen. Stoelen worden erbij getrokken en het volk komt naderbij. De waard vult de glazen. Ondertussen zoekt Joris in zijn geheugen naar een verhaal. Veel tijd heeft hij niet. Dan valt iedereen stil in de gelagkamer, het wachten is op Joris. Hij begint te vertellen. ‘Stel uzelf voor een rijk geschakeerd heuvellandschap, de zon staat laag boven de heuvels en kleurt het landschap diep rood. Er zijn huisjes gebouwd op de heuvelrug, klaarblijkelijk van zandsteen. Stel u voor dat u op de bok van een door twee slanke paarden voort getrokken houten kar zit. Het gaat niet snel want het pad is onverhard, misschien rookt u een sigaret of drinkt u koele wijn uit een aardewerk kruik. Het landschap glijdt langzaam aan u voorbij. Wie u bent of wat u gaat doen is onbelangrijk, slechts u en het landschap zijn van belang. Het is behagelijk warm en er staat een zwoele wind uit het zuiden. U bent geestelijk ontspannen ondanks dat u uw lichaam moet inspannen op de bok te blijven zitten, de weg is vol gaten en geulen. Zeer waarschijnlijk verheugt u zich op de rust die u vinden zult in een logement of herberg later op de middag als de zon zich opmaakt voor de ondergang en een onderkomen voor de nacht gewenst is. Misschien loopt het water u in de mond als u denkt aan de gebakken kippetjes of het mager speenvarken aan het spit, het bier of de wijn of de mede, heerlijkheden die u staan te wachten. Geen moment denkt u aan de mogelijkheid dat het noodlot zou kunnen toeslaan. Waarom zou u? Natuurlijk hebben vrienden u gewaarschuwd voor de gevaren die dreigen bij het ondernemen van zo een hachelijke reis. U zult de waarschuwende woorden niet geheel in de wind geslagen hebben, maar als u niet teveel denkt aan de gevaren dan zijn ze er veelal niet. De bomen kijken op u neer, de graspollen wuiven u toe, de zon bronst uw huid, u overziet uw leven en u voelt zich één met de omgeving, u bent boom, u bent de witte wolk, u bent paard en kar. Des avonds brengt u uw tijd door met eten en drinken, pratend en dansend. U laat zich vermaken door de liederen van de minstrelen en de grollen van de nar, u ontmoet vaganten die rondreizen op zoek naar kennis en cultuur, u spreekt boodschappers en bodes uit alle windstreken en in de nacht deelt u het bed met een schone deerne of een dromerige jongeman, al naar gelang uw sekse, en u slaapt aangename dromen.’ Joris kijkt op. Even is hij gedesoriënteerd. Hij verliest zichzelf in de vertelling. Enkele toehoorders kijken hem nieuwsgierig aan, andere hebben zich teruggetrokken en luisteren van een afstand. ‘Het verhaal van deze reis heeft een vervolg, dat volgt later. Nu eerst reis ik af naar de wachters, ik kruip in de huid van Wiko, want door zijn ogen zijn de jonge meisjes het mooist.’ Dan zegt een vrouwenstem: ‘Vertel ons over Wiko en hoe hij de meisjes schaakt!’ ‘Maar Wiko is een wachter,’zegt Joris. ‘Wat hebben wij aan wachters?,’ zegt de vrouw die tegenover Joris gaat zitten. ‘Het is eervol een wachter te zijn,’ antwoordt Joris. ‘Want een wachter respecteert dromen en ontvangt vrienden die mee wensen te dromen.’ De vrouw lacht luid en zegt dan: ‘Goed vertel ons over de wachter Wiko, Joris, maar vergeet niet te vertellen over de mooie jonge meisjes en zie vanuit hun ogen!’ Joris zwijgt even, hij denkt. ‘Ik zal het proberen,’ zegt hij. Hij bedenkt zich dat hij niet in staat is de mooie jonge meisjes te laten spreken domweg omdat ze alleen bestaan in de dromen van de wachters en als hij zich gaat bezighouden met imaginaire vrouwen dan is het eind zoek. Waar houdt de werkelijkheid op en gaat zij over in de fantasie- en/of droomwereld? Toch is hij zich bewust van de waarheid die schuilt in de kritiek van de vrouw, want de verteller vertelde voornamelijk over de mannen in het grote verhaal en reserveerde slechts een plek op de achtergrond voor de vrouw. De mooie jonge vrouw die sliep op een bed van droge bladeren. De beendorre vrouw in het Brokkenhuis. De vrouwen van de reizigers. Hij legt de gedachten voorlopig naast zich neer, want men wacht op het verhaal van Wiko en de wachters. ‘Als wij al slechte bedoelingen hebben dan weten wij ze goed te verbergen. Dromen die ons bedriegen met fladderende schimmen. Zolang ons geloof in hun komst groter is dan de wetenschap dat ze nooit zullen komen, zolang zullen wij voorbereidingen treffen voor de feesten en op hen wachten aan de poort. Zo ook nu.

Terwijl wij reikhalzend uitkijken naar hun komst drinken wij nog maar een Palinka, eten wij worstebroodjes en oefenen wij het dansen met de wasvrouwen op de muziek van de voorbijtrekkende minstrelen. Wij zijn bepaald niet ongelukkig. Enkelen van ons zijn het wachten zat en zijn naar de mooie jonge meisjes gaan zoeken. Wij hebben al lange tijd niets van hen vernomen, wij vermoeden dat ze tijdens de barre tocht zijn omgekomen. Dat boezemt ons angst in en daarom blijven wij standvastig. En zowaar fladderen de schimmen van de mooie jonge meisjes weer in onze dromen, zodat wij de nacht niet geheel alleen doorbrengen. Standvastigheid brengt heil. Onze nachtelijke feesten zijn dan ook weer vol gedruis en vertier. Van heinde en ver komen jonge mannen onze gelederen versterken. Zij vertellen over ontmoetingen met mooie jonge meisjes én dat zij beloofd hebben te zullen komen, nog voor de zomer aanbreekt. Zij vertellen van de vele ranke benen, van de bevallige voeten en dat ze deze kant op bewegen. Hoop doet leven. '

Joris neemt een slok bier. Hij vertelt verder. ‘Van de soldaten in het dal zijn er in aantal slechts weinig overgebleven. Er zijn er die deserteren en het woud invluchten. Er zijn er die overlopen naar de vermeende vijand in de heuvels. Er zijn er vele omgekomen van ondervoeding en ziekten, de koude winter heeft niet veel goeds gedaan. Er staat nog een officierstent overeind en enkele bouwvallige hutjes. Het eens zo sterke leger is gereduceerd tot een miezerig groepje wankele benen die de schijn groot en sterk te zijn ophoudt door nu en dan een kanon te laten bulderen met buskruid. Het mogen slechts losse flodders zijn, de vijand geeft geen krimp.

De vrouwen van de reizigers hebben een boodschap ontvangen. Zij maken zich op voor een lange reis. Grote karren laden zij vol met hun complete inboedel. De ouden van dagen zoeken een plekje tussen het huisraad, de kinderen mogen op de bok. De vrouw van de Drinker, zij is Brouwer. De vrouw van de Eter, zij is Kookster. De vrouw van de Drager, zij is Weefster. De vrouw van de Veelvraat, zij is Wasvrouw. De Voeder en de Geheelonthouder, zij hebben geen levensgezel, wel hun ouders komen mee. Dan zijn er nog de vele broers en zussen, ooms en tantes, neven en nichten. Allemaal bereiden zij zich voor op de grote trek westwaarts, dan zuidwaarts, naar het woud waar de Diafaan danst. De bode is ijlings vertrokken om de komst van de families aan te kondigen in de nederzetting. Hoe de bode aan de boodschap kwam en hoe hij de vrouwen gevonden heeft is een lang verhaal dat wellicht een andere keer verteld kan worden. Feit is dat er weer beweging in het verhaal komt, de grote trek is begonnen. De stoet, wel vijftig karlengtes lang, beweegt zich als een slang door het landschap. In sommige nederzettingen sluiten families zich aan. Een meute heeft grote aantrekkingskracht vanwege haar verheven doel: te bewegen naar een beloofd land dat ver van de hoofdweg gelegen is, te bewegen naar het legendarische woud waar de Diafaan danst, te bewegen naar een gebied dat niet wordt bestierd door IJkmeesters en Waanmeesters. Schapen, koeien, geiten bijeengehouden door herders met hun honden volgen de stoet. Kakelende kippen, blazende ganzen, knorrende varkens op een kar.’

Sinds de verteller is stilgevallen mag Steeper, W.J. rekenen op een volle kerk, de mensen zoeken zekerheid en zijn blind voor het feit dat Steeper voor onzekerheid pleit. Laat het toeval zegevieren is zijn motto. Iedereen in de kerk klampt zich vast aan het derde been, opblaasbaar been, wandelbeen, vervaardigd door ambachtslieden in de werkplaatsen van de Psychotische kerk waar dag en nacht reprodukties van Been I worden gemaakt: staalbeen, houtebeen, steenbeen. Het Beengilde houdt toezicht op de authenticiteit van de benen want vele profiteurs willen een slaatje slaan uit de groeiende bekendheid van Been I. Joris krijgt de smaak van het vertellen te pakken, de woorden rollen over zijn lippen alsof ze hem gedicteerd worden. Het volk hangt aan zijn lippen. Het is Franti die hem onderbreekt door hem aan te stoten. Joris ontwaakt uit een roes. ‘Niet alles in een keer vertellen,’ waarschuwt Franti hem,’Houdt de spanning erin, morgen is er weer een dag.’ Maar de waard staat alweer aan hun tafel met een volle kruik zuurbier.

Franti zet de glazen ondersteboven en trekt Joris mee de gelagkamer uit. ‘Morgen zijn we terug,’ roept hij naar het protesterend volk. Eenmaal buiten realiseert Joris zich wat er is gebeurd. ‘Ik heb verteld,’ mompelt hij. ‘Ja ja, het is goed’, zegt Franti ongeduldig.’ Houd je hoofd erbij, je hebt jezelf net tot stadstroubadour uitgeroepen, je moet je melden bij de IJkmeesters.’ ‘Melden? Waar?’ ‘Je kunt jezelf niet ongestraft tot stadstroubadour uitroepen!’ ‘Maar... jij!’ ‘Ja, ik, nee jij moet naar de IJkmeesters om verantwoording af te leggen. De IJkmeesters zullen dit niet tolereren, je hebt niet de juiste procedures doorlopen.’ ‘Procedures?’ ‘De regels, de zaken, de handelingen. Een stadstroubadour wordt aangesteld, niet uitgeroepen. Dat druist in tegen alle geijkte normen en waarden. We hebben ons laten meeslepen. Binnenkort weet de hele stad dat er een stadstroubadour is behalve de IJkmeesters. Kom, we gaan je aanmelden!’ ‘Waar?’ ‘Volg mij maar.’ Men brengt niet elke dag een bezoek aan de IJkmeesters al was het alleen al omdat een bezoek voorafgegaan dient te worden door een groot aantal handelingen. Eerst dient men bodes te overtuigen van het belang van het bezoek en men dient het verzoek te ondersteunen met tenminste twee aanbevelingsbrieven van hoogstaande weledele burgers van de stad. Dan dient men een verzoek in bij het IJkwezen dat besluit welke IJkmeester het bezoek zal voorbereiden. Deze IJkmeester draagt het verzoek over aan een of meer IJkmeesters die zullen ontvangen. Bij hoeveel IJkmeesters men wordt ontvangen hangt af van de aard van het bezoek. Zelfs dan is nog niets geregeld want de IJkkring wordt ingelicht over de gang van zaken en omdat de IJkmeesters elkaar nooit bezoeken tijdens crisissituaties, gebeurt dit met behulp van de IJkbodes die mondeling de boodschappen overbrengen, wat zeer veel tijd in beslag neemt. IJkmeesters die zich een beter beeld willen vormen van de situatie kunnen een verzoek indienen de aanvrager te ontvangen. Het besluit van de IJkkring wordt vervolgens voorgelegd aan de IJkmeester der IJkmeesters die op zijn beurt weer overleg kan voeren met de leden van de IJkkring alvorens tot een besluit te komen. Is er eenmaal een besluit genomen dan zal de stadsomroeper het volk inlichten over het voorgenomen besluit te ontvangen, waarna het volk de mogelijkheid heeft een bezwaarschrift in te dienen en dan begint het hele proces opnieuw. Franti is zich bewust van de handelingen maar omdat hij al lange tijd IJkbode is heeft hij bepaalde voorrechten en met een beetje overmoed is veel gedaan. ‘Wilt u maken dat u wegkomt,’ zegt de bewaker van de IJktoren. ’De IJkmeester der IJkmeesters ontvangt niet en zeker niet zonder aankondiging.’ Joris wil zich uit de voeten maken, maar Franti houdt hem bij zijn arm vast. ‘Volgens de procedures heeft de stadstroubadour het recht te allen tijde de IJkmeesters te raadplegen,’ zegt Franti. ‘Oh ja, wijsneus en waar is die stadstroubadour dan?’ Franti kijkt Joris dwingend aan en als deze zijn mond niet roert zegt hij: ‘Dit is de nieuwe stadstroubadour.’ Hij duwt Joris naar voren. De bewaker begint te lachen. ‘Deze jongeman ken ik wel’, zegt hij, ‘Dat is Joris de te vroeg geboren troubadour.’ ‘Mis,’ zegt Franti brutaal,’dit is Joris de stadstroubadour van Waanstad en als u hem niet onmiddellijk aankondigt dan, dan... dan zal hij u moeten rapporteren bij het IJkwezen. Wat is uw naam en rang?’ De bewaker kijkt hen argwanend aan. ‘Rapporteren?’ zegt hij aarzelend. Op dat moment gaat de poort open. ‘Wat is dat voor rumoer aan mijn poort?’ zegt een vriendelijke doch gedecideerde stem. ‘Het is de stadstroubadour die u komt raadplegen,’ zegt de bewaker onderdanig. ‘De stadstroubadour? Laat hem dan onmiddellijk binnen en sta daar niet zo te hannesen!’ ‘Wie van u beiden noemt zich de stadstroubadour, zou ik willen weten, zegt de IJkmeester der IJkmeesters. Hij kijkt Joris nieuwsgierig aan. ‘Nou?’ zegt de IJkmeester een beetje ongeduldig. ‘Ik,’ zegt Joris met geknepen stem.

De beendorre vrouw loopt zenuwachtig op en neer in de gang van het brokkenhuis. Al haar stemmen praten door elkaar heen. ‘Joris de troubadour..., het IJkwezen..., hij loopt in een verschrikkelijke..., oh nee..., een gelagkamer..., de IJktoren..., laat hem gaan..., zijn tijd..., komen..., moerlemeie....’ ‘Stilte!’ schreeuwt de beendorre vrouw. ‘Stilteeeeh. Ik moet nadenken.’ De stemmen zwijgen. ‘Zo is het beter en vertel me nu eens rustig wat er aan de hand is?’ En weer schreeuwen de stemmen door elkaar: ‘...het is Joris..., verschikkelijk..., hij..., door de stad..., Franti..., gelagkamer.’ ‘Genoeg!’, zegt de beendorre vrouw en begint aan de keukentafel in een groot in leer gebonden boek te lezen: Geen avontuur is groot genoeg.

Joris de stadstroubadour en Franti de IJkbode zitten aan een tafel in de gelagkamer van herberg de Witte Waan. Franti overtuigt Joris van het belang grote verhalen te vertellen. Joris die zich eerst terughoudend opstelt wordt snel overtuigd van zijn taak en als de waard te weten komt dat de nieuwe stadstroubadour zich in de gelagkamer bevindt en dit begint rond te bazuinen is het hek van de dam: Joris begint te vertellen. Hij vertelt het vervolg op de verhalen van de verteller... De beendorre vrouw kijkt verschrikt op van haar boek. ‘Zo, dus u bent de nieuwe stadstroubadour?’ zegt de IJkmeester. Ze zitten in een ruime kamer aan een eikenhouten tafel. Ze drinken Mede uit houten schaaltjes. Joris en Franti knikken beleefd. ‘Vertel dan maar een verhaal!’ zegt de IJkmeester. Joris verslikt zich in de honingdrank. ‘Veel verhalen zijn hem bekend,’ zegt Franti. ‘Het is mij bekend dat troubadours zeer goede sprekers zijn, maar deze jongeman heb ik alleen nog maar horen proesten.’ De IJkmeester kijkt Joris spottend aan. ‘Ik ken alle verhalen,’ zegt Joris dan. ‘Zeer moedig van u om zulk een uitspraak te doen,’ zegt de IJkmeester lachend. ‘Het is waar!’ zegt Franti. De IJkmeester kijkt hem verwijtend aan. ‘U bent IJkbode, niet waar? Dan moest u beter weten,’ zegt hij alleen maar. Joris recht zijn rug, legt zijn handen ontspannen op de tafel en kijkt dan de IJkmeester der IJkmeesters strak aan. ‘Ik ken alle verhalen van de verteller!’ zegt hij. ‘De verteller?’ De IJkmeester kijkt hem verbaasd aan. ‘Kent u de verhalen van de verteller?’ ‘Ja,’ zegt Joris. ‘De beendorre vrouw...’ De IJkmeester laat hem zijn zin niet afmaken. ‘Heeft de beendorre vrouw jou gestuurd?’ vraagt hij ontsteld. Hij wacht het antwoord niet af maar loopt met grote passen de kamer uit.

De beendorre vrouw is bleek rond haar neus. Ze heeft het boek dichtgeslagen en staart naar het gouden opschrift. Haar vingers maken zenuwachtige bewegingen in haar langen sluike haar. Er wordt op de deur geklopt. Een jongeman die zij meteen herkent als IJkbode, staat voor de deur. ‘U wordt ontboden bij de IJkmeester der IJkmeesters,’ zegt hij.

‘Is dit wel verstandig?’ fluistert Joris. Franti reageert niet, hij blijft strak voor zich uitstaren. Joris kijkt wanhopig om zich heen. Hij had zich niet zo moeten laten meeslepen. Hij had verstandiger moeten zijn en zijn tijd moeten afwachten in plaats van deze af te dwingen. Wat zal de beendorre vrouw wel niet van hem denken als ze dit te weten komt? De IJkmeester komt de kamer weer. Hij komt voor hem staan. ‘Ik zal u tijdelijk in hechtenis moeten nemen,’ zegt hij met vermoeide stem. Dan kijkt hij naar Franti. ‘U maakt dat u wegkomt, met u rekenen we later af. U bent trouwens voor onbepaalde tijd uit uw functie ontheven.’ Franti en Joris staan tegelijkertijd op. ‘U blijft hier!’ gebiedt de IJkmeester Joris, hem terugduwend in zijn stoel. ‘U treedt geheel buiten het boek,’ zegt de IJkmeester als Franti de kamer verlaten heeft. Hij schenkt Joris nog een beetje Mede in. ‘Dat is niet goed,’ zegt hij. ’U moet zich aan het verhaal houden. U kunt de dingen niet naar eigen goeddunken bejegenen. Als troubadour zou u dat moeten weten. De dingen verkeren in moerlemeie en daar dient ordening in aangebracht te worden, het is geenszins de bedoeling de moerlemeie groter te maken.’ ‘Maar ik ben nog niet zo lang troubadour,’ zegt Joris zich verontschuldigend. ‘Hoe bent u aan uw beroep gekomen, als ik vragen mag?’ ‘Mijn moeder droeg het mij op,’ zegt Joris die plotseling de waterlanders achter zijn ogen voelt. ‘Mijn moeder,’ herhaalt hij. ‘Uw moeder is een verstandige vrouw, er is grote behoefte aan troubadours, maar dat neemt niet weg dat...’ De IJkmeester zwijgt, hij heeft de tranen in de ogen van Joris gezien. ‘U kent de verhalen van de verteller, zei u,’ zegt de IJkmeester van onderwerp veranderend. ‘Waar heeft u die gehoord?’ ‘Ik heb van hem gelezen in het brokkenhuis en ik heb naar hem geluisterd in de toren,’ zegt Joris snikkend. ‘Waarom weet ik daar niets van?’ ‘Ik dacht dat je er van afwist,’ zegt de beendorre vrouw die plotseling in de hoek van de kamer staat. Joris is blij verrast, maar zijn gezicht betrekt meteen weer als hij het boze gezicht van de beendorre vrouw ziet. ‘Kun je ons even alleen laten?’ zegt de IJkmeester tegen Joris. ’Ga maar in de bibliotheek zitten, maar kom alstublieft nergens aan.’

Franti rent zodra hij de IJktoren verlaten heeft naar herberg de Witte Waan. Hijgend komt hij de galagkamer binnen vallen. ‘De troubadour, de stadstroubadour, hij...’ Franti kan niet uit zijn woorden komen. De waard geeft hem een mok koud water. ‘Rustig maar jongen, drink eerst dit maar.’ ‘Wat is er met de stadstroubadour? vraagt de waard als Franti enigszins op adem gekomen is. ‘De IJkmeester der IJkmeester heeft hem gegijzeld. Hij is in hechtenis genomen en het is allemaal mijn schuld.’ zegt hij. ‘Een stadstroubadour kan niet gegijzeld worden door een IJkmeester,’ zegt de waard. ‘Hij kan ontboden worden maar niet worden vastgehouden.’ ‘Nee?’ vraagt Franti hoopvol. ‘Een stadstroubadour is ongenaakbaar,’ zegt de waard gewichtig. Een aantal gasten knikt instemmend. ‘Het ligt in de aard van de troubadour besloten dat hij vrij is’, zegt een van hen. ‘Alleen een vrij mens kan verhalen.’ ‘Hier moet sprake zijn van een misverstand,’ zegt de waard.

Joris zit stilletjes te wachten in de bibliotheek van de IJktoren. Hij hoort de IJkmeester en de beendorre vrouw in de andere kamer met elkaar praten. De stem van de IJkmeester klinkt verwijtend, de stem van de beendorre vrouw vooral verontschuldigend, maar Joris kan niet verstaan wat ze zeggen. Dan hoort hij ineens de stem van de beendorre vrouw in zijn linker oor. ‘Joris is een bijzondere jongen, hij verdient het een kans te krijgen zich te bewijzen.’ Joris hoort het geluid van de stem van de IJkmeester door de deur reageren, maar kan niet horen wat hij zegt.. ‘Ja, dat is mijn fout, ik had hem beter moeten voorlichten, als die crisis er niet tussengekomen was zou dat ook gebeurd zijn. Het was een noodgreep.’ De IJkmeester spreekt weer. Nu voor langere tijd. Joris wil zijn oor aan de deur te luisteren leggen, maar durft zich niet bewegen. Hij hoort alleen het gezucht en gesteun van de beendorre vrouw. ‘Naar zijn tijd?’ zegt de beendorre vrouw. ’Die zal hij toch zelf moeten zien te vinden.’ Het is stil in de kamer. Even later gaat de deur open. ‘Je mag gaan,’ zegt de IJkmeester. Van de beendorre vrouw is geen spoor te bekennen.

In de Psychotische kerk staat Steeper, W.J. met een groepje beenlingen te praten. ‘Als de dingen zijn zoals u zegt, dan bewegen ze wel op een heel vreemde manier,’ zegt Steeper tegen een oudere beenling met een lange grijze baard. ‘De dingen bewegen onvoorspelbaar,’ zegt de oude man. ’Alleen de mogelijke toestanden waarin het zou kunnen verkeren kunnen we voorspellen en misschien de meest waarschijnlijke, maar nooit is men zeker.’ Steeper lacht. ‘Ik ben een andere mening toegedaan,’ zegt hij. ‘Waarachtig zijn de dingen te voorspellen, alles is voorbestemd, alles heeft zijn tijd van gebeuren. Elke preek die ik spreek bestaat uit afgewogen woorden die geschreven staan nog voor ik ze denk; ieder woord dwingt het bestaan van het volgende woord af en zo staat het geschreven.’ De oude man draait zich vermoeid om de verlaat de kerk hoofdschuddend. ‘Moerlemeie, kallen is mallen en doen is een ding,’ zegt Steeper tot het groepje beenlingen dat bij hem is blijven staan. ‘Staandebeens met derde been,’ mompelen ze gedwee. ‘Zo is het maar net,’ zegt Steeper zich van hen afwendend. Hij ziet Joris in de deuropening staan. ‘Daar hebben we onze troubadour,’ zegt hij luid. Het groepje beenlingen beent de kerk uit. ‘Kom je naar mijn waan-zin luisteren,’ vraagt Steeper. ‘Ik weet het niet,’ zegt Joris.

‘Hij is bij Steeper,’ zegt een IJkbode die de gelagkamer is binnen gekomen. ‘Is hij dan al vrij?’ vraagt de waard. ‘Hij heeft nooit vastgezeten,’ zegt de IJkbode. ‘Maar ik was erbij toen hij in hechtenis werd genomen’ zegt Franti. ‘De IJkmeesters zeggen dat hij nooit de benodigde procedures heeft doorlopen. Er zijn geen stukken bekend in het IJkregister dat hij een aanvraag heeft ingediend, dus kan hij nooit in hechtenis zijn genomen. Hij is nooit in contact getreden met de IJkkring. Dit wordt van hoger hand bevestigd.’ ‘Nou dan is dat probleem ook weer de wereld uit,’ zegt de waard opgelucht. ‘Wie wil er nog een zuurbier, deze is van de zaak?’ Franti neemt de IJkbode apart. ‘Is dat de officiële lezing?’ vraagt hij. ‘Dat is de enige lezing,’ antwoordt de IJkbode koeltjes. Franti realiseert zich dat als Joris nooit bij de IJkmeester der IJkmeesters is geweest, hij, Franti ook niet uit zijn functie is ontheven, toch kan hij niet rekenen op de openhartigheid die de IJkbodes onder elkaar gewoon zijn temeer deze bode tot een der strengste gerekend wordt. ‘Ach wat,’ zegt hij verongelijkt.

‘Ik kan je niet helpen,’ zegt Steeper W.J. als Joris zijn verhaal gedaan heeft. ’Ik kan vele dwalende en dolende geesten onderdak bieden en hen de kracht van Been I tonen, waarmee ik hen standvastigheid bied met een derde been, maar jou kan ik niet helpen.’ ‘Mag ik Been zien?’ vraagt Joris. ‘Het beeld staat op het altaar.’ zegt Steeper. ‘Neen, ik bedoel Been I, het been der benen. Mag ik het zien? Steeper twijfelt. ‘Been I rust, het kan niet gestoord worden.’ ‘Dan wacht ik,’ zegt Joris vastbesloten. ‘Ik ga de kerk zo afsluiten,’ ‘Dan wacht ik voor de deur.’ zegt Joris. ‘Als je Been zonodig wilt zien dan moet je morgen in de ochtend de mis komen bijwonen,’ zegt Steeper Joris voor zich uitduwend de kerk uit. Hij sluit de deur achter Joris af. Het gekraak van het slot echoot door de kerk. Steeper staat er verslagen bij. ‘Wie denkt die jongeling wel niet dat hij is,’ klaagt Steeper tegen de kerkmuren. Hij dooft de lichten. In de gang naar het parochiehuis ziet hij Been I staan. ‘Wat doe jij daar? Jij hoort op je kamer te rusten.’ Been I stampt op de stenen vloer. ‘Ja, die jongeling wilde jou ontmoeten, maar daar komt niets van in.

‘Ik weet het niet ‘, zegt Joris tegen de waard in de Witte Waan die hem vraagt of hij nu werkelijk de stadstroubadour is. Van de waard had Joris vernomen dat hij nooit bij de IJkmeester der IJkmeesters is geweest en dat Franti hem is gaan zoeken zodra hij hoorde dat hij naar Steeper W.J. was gegaan. ‘Die predikant is niet te vertrouwen,’ zegt de waard. ’Maar wie is dat wel heden ten dage,’ voegt hij er aan toe. ‘U heeft me horen vertellen, ik ben troubadour.’ ‘U hoeft mij niet te overtuigen. Ik geloof dat u troubadour bent zolang u troubadours verhalen vertelt en ik vind het verdomd jammer dat we geen elektriek hebben. Vertel me liever een verhaal in plaats van die onzin, dan schenk ik uw glas nog eens vol.’ Joris schudt zijn hoofd. ‘Ik moet wachten,’ zegt hij. ‘Waarop?’ vraagt de waard. ‘Ik weet het niet.’ ‘Voor een troubadour weet u verdomd weinig,’ zegt de waard beledigd. Joris die weet dat de waard het goed bedoelt, zegt: ‘Nou goed dan ik zal het proberen. ‘U zit op de kar en geniet van het uitzicht, tot zover was ik gekomen, niet?’ De waard knikt, maar schudt dan zijn hoofd. ‘Nee, we waren al in bed beland met een schone deerne.’ ‘Des morgens bij het krieken van de dag wordt u gewekt door de haan. U voelt zich kwiek en opgewekt en u springt meteen uit de veren De jonge deerne of de slanke jongeman ontwaakt eveneens en lacht u lieflijk toe. Aan de put op de binnenplaats kunt u zich wassen met helder koud water. Het is een drukte van belang want iedereen maakt zich op om naar de jaarmarkt te gaan. Terwijl de dag tevoren alles zo rustig had geleken. U ziet hele gezinnen op karren voorbij trekken die bijkans hun hele hebben en houden te koop gaan aanbieden. U ziet koeien en geiten aan u voorbij trekken in een lange stoet. De waard van het logement roept dat er ontbeten kan worden. De gelagkamer is afgeladen, maar voor u is een plaatsje vrijgehouden aan de stamtafel, u bent immers een belangrijk gast. U krijgt een bord voor geschoven. U denkt: gatver, pap, maar als u een hap neemt klaart uw gezicht op want het is verrukkelijk. Daarna volgt een stuk zwart brood met een rillerig stuk varkensvet, u heeft een lange reis voor de boeg dus u moet goed eten. U slobbert het vet naar binnen en spoelt uw keel met een kruik stevig bier. Laat de dag aanvangen. Buiten staat de kar klaar voor vertrek. De zon heeft de dag al aardig opgewarmd en opgewekt springt u op de bok en zwaait u met een weids gebaar naar de waard en de waardin die u uitgeleide doen en proviand in de kar geladen hebben. Twee vette worsten, een grote kruik zoete witte wijn en een half zwart brood. U klakt met de tong en de paarden komen in beweging.’ Er heeft zich opnieuw rond Joris een groep gevormd die ademloos luistert naar zijn verhaal. Onder hen is ook Franti, hij heeft een boodschap, maar dat kan nog wel even wachten. ‘U heeft zich bij de stoet aangesloten die op weg is naar de jaarmarkt. U weet niet waar u bent of waar u naartoe gaat, de jaarmarkt ja, dat weet u zeker.’

Zit de verteller nog steeds in de torenkamer voor zich uit te turen? Verzorgt de mooie jonge vrouw hem nog steeds? Wachten de wachters feestend? Zijn de ex-reizigers nog steeds wachtende in hun nederzetting? Is Been nog steeds been? Wachten de soldaten in het dal nog steeds op orders van hogerhand of op de vijand? Zingen de vogels in het riet? En waar is Clown en waar is Rice? En mogen de moeders en tantes nog steeds genieten van het pianospel van hun nichtje? Zoveel vragen, zoveel antwoorden te geven. Maar wie is gerechtigd de antwoorden te geven? Mag alleen de verteller vertellen? En zo ja welke verhalen mag een troubadour dan vertellen? Wie bepaalt wie wat mag vertellen?
Joris ontmoet de blik van Franti. Hij houdt op met vertellen. De mensen die om hem heen staan verspreiden zich over de gelagkamer en de waard heeft zich teruggetrokken om feestmaal te bereiden. ‘Kunt u even op de bar letten?’ had hij gevraagd. Franti komt naderbij. ‘Dus we zijn niet bij de IJkmeester der IJkmeesters geweest,’ zegt hij olijk. ‘Nee, we zijn er wel geweest, maar niet geweest, als ik het allemaal goed begrepen heb,’ antwoordt Joris ‘Waarom ging je naar Steeper, vraagt Franti. ‘Ik heb geen idee’, zegt Joris.’Plotseling stond ik voor de deur van de kerk. Steeper, W.J. wilde mij Been I niet laten ziet.’ ‘Wilde je Been zien? Waarom?’ ‘Ik bedacht dat Been I het begin is van alle verhalen.’ ‘ Een been? Ga weg!’ ‘Werkelijk. Van Clown en been en de steen, daar is het allemaal om begonnen. Eerst een verliefd stel dat gearmd door het bos wandelt, Clown en ballerina. Clown verliest been en wint daarmee de positie Staandebeens die hij samen met Been I als act in de theaters opvoert. Dan is Been I weg en belandt bij Rice., die niet weet in welk gezelschap hij verkeert. Steeper weet beter, ontvoert Been en sticht de Psychotische kerk.’ ‘Hoe weet je dat?’ vraagt Franti. ‘Het staat geschreven,’ antwoordt Joris. ‘En daarom wil je Been zien?’ ‘De IJkmeester verweet mij dat ik me niet aan het verhaal houd.’ ‘Je moet je eigen verhalen vertellen,’ zegt Franti. ‘Zinvolle en zinloze verhalen... je moet domweg beginnen met vertellen, de toehoorders zullen je wel laten weten of het zinvol is of niet.’ ‘Ja, maar waarom zei de IJkmeester dat ik me aan het verhaal moet houden?’ ‘Misschien doelde hij op jouw aanwezigheid!’ ‘Hoe bedoel je?’ ‘Misschien is het ver gezocht, maar stel de verhalenverteller vertelt over Been, over ballerina, over de steen, vervolgens over de soldaten en de lelijke jongen en ook over een jongeman die door zijn moeder is weggestuurd om troubadour te worden, maar hij is te vroeg geboren.’ ‘Bedoel je hiermee te zeggen dat je mijn verhaal al kende voor je mij ontmoette?’ Franti zwijgt. ‘Ik kwam pas in het verhaal toen ik nodig was,’ antwoordt hij na een poosje. ‘Dat is geen antwoord,’ zegt Joris boos. ‘De verteller is verhaal geworden, zegt dat je niets?’ ‘Ik begrijp er niets meer van,’ zegt Joris. ‘Er valt niets te begrijpen,’ zegt Franti. ‘Vertel nu maar gewoon. Je hebt een verplichting troubadour zijnde.’ Joris kijkt rond en ontmoet vele vragende blikken, verlangende blikken, bijkans smachtende blikken. ‘O ja,’ zegt Franti. ’Ik heb een boodschap voor je uit het brokkenhuis. ‘De beendorre vrouw?’ zegt Joris blij. ‘Ze zegt: vergeet alle boeken.’ ‘Met andere woorden?’ ‘Er zijn geen andere woorden.’ ‘Kan ik als troubadour een antwoord meegeven?’ Franti springt in de houding. ‘Geheel tot uw dienst,’ zegt hij. ‘Vraag dan de beendorre vrouw waarom zij niet meer met mij persoonlijk spreekt.’ ‘Goed, dan zal ik ook bij het IJkwezen langs gaan om alsnog een aanvraag voor een bezoek te doen. Maar alleen als jij blijft vertellen.’ ‘Afgesproken,’ zegt Joris.
Joris gaat aan de stamtafel zitten. Enkele gasten schuiven hun stoelen aan, ook de waard steekt zijn hoofd om de hoek van de deur, hij lacht. Joris vertelt. ‘De dag is mooi, de zon staat hoog aan de hemel. De stoet is tot stilstand gekomen en u ziet verscheidene mensen naar het uitgestrekte meer rennen. Kleren gaan uit en dan een hoop gespetter van water. U sluit u aan bij de waterliefhebbers voor een verkoelend bad. Het water is helder en koud, maar dat deert u niets want de zon. U slaat een paar slagen en komt verzeild geraakt in een watergevecht. U hapt naar adem, maar u geniet met volle teugen van het wilde spel. Vermoeid klimt u op de kant en laat uw lichaam aangenaam drogen door de zon en de zwoele wind. Een oude man nodigt u uit voor de lunch. Men heeft een groot laken uitgespreid op het zachte gras. Op het spierwitte laken liggen de heerlijkste heerlijkheden: patee, hele kazen, grote sappige worsten, vele soorten brood, kruiken met wijn en bier, en vele soorten fruit. Men eet zittend rond het witte laken. Natte kinderen rennen tussen de mensen door om door hun moeder gevoed te worden, waarna zij het water verkiezen boven het schone witte laken vol heerlijkheden. U eet zittend tussen rustig etende mensen. Er wordt gepraat en gelachen, maar vooral eet men en men laat het zich goed smaken. Dan, zonder een aanwijsbare reden wordt het laken opgeruimd, de kinderen gedroogd en zoeken de ouden van dagen weer hun plekje op tussen het huisraad. U verbaast zich over de efficiëntie van de opruimactie. Binnen de kortste tijd is de stoet alweer in beweging terwijl u nog uw kleren staat aan te trekken. U hoeft zich niet te haasten want uw praktisch lege kar is sneller dan de volgeladen karren van de stoet. Als u zou willen zou u de stoet kunnen inhalen, maar u verkiest het hen in het spoor te volgen, want op de jaarmarkt zal het er hectisch aan toegaan en de rust die de stoet uitstraalt kunt u goed gebruiken, daarbij is het ook verstandig niet alleen te reizen, want struikrovers en bandieten. U zit even later weg te dommelen en al snel zit u knikkebollend op de bok, terwijl de paarden rustig de stoet volgen. U droomt de dromen die u altijd al had willen dromen.’ ‘Er gebeurt niet veel,’ mompelt een toehoorder. ‘Stil nou, het moet nog komen,’ zegt een ander. Wat moet komen, denkt Joris, verwachten de toehoorders iets drastisch? De reis is het verhaal, het verhaal is de reis, er gebeurt alleen als er moet gebeuren. ‘Dan schrikt u wakker. Uw kar komt tot stilstand. Slaperig kijkt u waar u bent. De stoet en daarom ook u, heeft de hoofdweg verlaten en heeft een diep karrespoor getrokken in de klei grond. In de verre omtrek is geen boom of struik te zien. Wel verdomme, denkt u, dit is niet de weg naar de jaarmarkt. De karren worden in een grote cirkel in het kale landschap geplaatst temidden waarvan een vuur wordt ontstoken. De schemering valt in. Er zit niets anders op dan u aan te sluiten. Een oude man helpt u met het losmaken van de paarden. ‘Mooie dieren,’ zegt hij de tanden van een van de paarden bewonderend. U knikt. Voor u iets heeft kunnen zeggen neemt de oude man uw paarden mee naar de voederplaats waar de dieren bijeen staan op een omheind stuk grond. Bij het kampvuur staan vier vrouwen bijeen: de Brouwer, de Kookster, de Weefster en de Wasvrouw. ‘We moeten snel vruchtbare grond vinden,’ zegt de Brouwer,’ want er is niet veel voedsel meer voor de dieren en het water is schaars .’ ‘Volgens de bode moeten we morgen de rand van het woud waar de Diafaan danst bereiken,’ zegt de Weefster. ‘Dan is het nog op zijn minst drie dagen gaans tot de nederzetting.’ ‘In het woud kunnen we voedsel vinden,’ zegt de Kookster. ‘Ja, maar niet veel voedsel voor de dieren,’ zegt de Brouwer. ‘Dieper in het woud misschien,’ oppert de Wasvrouw. Drie vrouwen kijken haar verschrikt aan. ‘We kunnen het woud niet te diep in,’ zegt de Brouwer. ‘Je weet wat de bode gezegd heeft.’ ‘Ik ga koken,’ zegt de Kookster en ze loopt naar haar wagen om de koperen ketel te halen. Twee oude mannen, geholpen door een groep kinderen, dragen hout aan voor het vuur. ‘We overleggen vanavond verder,’ zegt de Brouwer. Omdat u niemand kent voelt u zich een beetje ongemakkelijk. Iedereen lijkt zo haar en zijn taak te kennen. Ik ben tussen de nomaden beland, denkt u. U spreekt de oude man aan. ‘Waar gaat de reis heen?’ vraagt u. De oude man kijkt op van zijn werk. Een paar vriendelijke ogen kijken u aan. ‘Het woud waar de Diafaan danst, zegt hij. Omdat U nogal verbaasd kijkt voegt hij er aan toe: ‘U kent de verhalen van de Diafaan toch wel?’ U schudt uw hoofd. ‘Ik zal ze u vanavond vertellen,’ belooft de man. Hij buigt zich weer over zijn werk. U wandelt rond in het kamp en u helpt waar u helpen kunt. Als de avond is ingevallen zit u samen in een kring rond het vuur en u eet. Het is een karig maal, maar voedzaam en daarbij drinkt u wijn of bier of voelt u meer voor een Palinka. Rond het vuur is het licht en warm, daaromheen heerst kille duisternis ondanks de sterrenhemel. Een voor een ziet u de mensen in slaap vallen, sommigen rond het vuur, anderen verdwijnen naar hun wagen. Een klein groepje oudere mannen is blijven zitten, zij nodigen u uit in hun gezelschap. ‘Bent u zoekende?’ vraagt een van de mannen, als u een tijdje zwijgzaam in het vuur heeft zitten staren. ‘Als ik zoek dan weet ik niet waarnaar ik zoek,’ antwoordt u. Het antwoord verbaast de mannen niet. ‘Dan zult u vinden,’ zegt de man. ‘Vertel mij over de dansende Diafaan in het woud,’ vraagt u. De mannen kijken elkaar aan. Een van hen begint te vertellen. ‘Het is het verhaal dat de Voeders ons vertelden, maar ik zal het met eigen tong vertellen. Als de zon een gouden spel speelt met de wolken, als de vogels een laatste lied zingen, als het spiegelend gezicht van de maan, dat is de Diafaan. Zij danst de dans der dingen. Als de zwoele wind die het gras aait, of de zoemende zwerm bijen in de hazelaar die wacht op een teken van de koningin om een nieuwe stad te bouwen, als het borrelen van een lege maag, als het krakende kreupelhout. De Diafaan danst het eeuwige bewegen, zij danst in het heden, toekomst en verleden.’ De oude man zwijgt. De oude mannen knikken instemmend. ‘We komen overleggen,’ zegt plotseling een vrouwenstem. U wilt opstaan, maar de vrouw, ogenschijnlijk een Brouwer, gebaart dat u kunt blijven zitten. Vier vrouwen komen bij het vuur zitten. U herkent de Weefster aan haar prachtige kleed. U herkent de Wasvrouw aan haar properheid. U herkent de Kookster aan haar geur van zoete kruiden en de Brouwer aan de lichte zweem alcohol die zij met zich meedraagt. U wordt zich geleidelijk bewust van de maan die het kale landschap blauw kleurt. ‘Er zijn nog vier dagen gaans volgens de boodschap van de bode,’ zegt de Brouwer. ‘Voor zoveel dagen hebben we geen voedsel voor de dieren en het water is schaars.’ ‘Het woud bereiken we morgen tegen de avond,’ gaat de Weefster verder. ‘Daar kunnen we voedsel vinden voor onszelf, maar niet voor de dieren.’ ‘We kunnen niet te diep het woud in,’ vult de Kookster aan. ‘Ik kan misschien helpen,’ zegt u voor u erover na heeft kunnen denken. Alle ogen zijn op U gericht. ‘Mijn wagen is leeg en snel. Ik kan vooruit snellen om voedsel te halen, morgen vroeg kan ik vertrekken.’ Het hout in het vuur knapt, de paarden briesen en de vlammen warmen uw gezicht. ‘We kunnen iemand meesturen, als u dat wenst,’ zegt de Brouwer. ‘Ik weet niets van dieren en hun voedsel, evenmin weet ik van wortels en kruiden.’ zegt u. ‘Ik ga met u mee,’ zegt de oude man die u die middag al gesproken had. Voor u het weet is alles georganiseerd en ligt u onder een paardedeken naast het vuur naar de sterren te turen, u heeft een taak gevonden.’
‘Genoeg voor vandaag,’ zegt de waard. ’Dit is een mooi moment om te stoppen, morgen is er weer een dag.’ Net op dat moment komt Franti binnen, hij is nat van het zweet, maar hij lacht. ‘Alles is geregeld,’ zegt hij.

Steeper W.J. ligt de woelen in zijn bed. Hij hoort Been heen en weer stappen in de belendende ruimte. Steeper W.J. droomt nare dromen. De lakens zijn klam van het zweet. Waar is Klaas Vaak om het zand in zijn ogen te strooien? Hij droomt van een immens Been dat schopt en hem alle hoeken van het bestaan laat zien. Hij hangt met pijnlijke vingers aan de muur die waan en waar van elkaar scheidt. Hij bevindt zich in het land van Waan, begeeft zich op onmogelijke wegen in het labyrint der gedachten -de immer veranderende patronen- die alleen de sterke geesten kunnen begaan zonder te verdwalen. Alleen zij die zich van een weg terug weten te verzekeren door de weg te ijken en te borgen kunnen ontsnappen. Steeper W.J. heeft dan weliswaar de weg terug gevonden maar kan zich geen toegang verschaffen tot het land van Waar. Hij waakt en hij slaapt in korte pozen. Als hij waakt is hij beducht voor de dromen die hem wachten tijdens de slaap en al die tijd hoort hij de stappen van Been I en de trappen van Been I en het geschuifel. Het ergst zijn de plotselinge stiltes, als het geschuifel is weggestorven en alleen zijn eigen ademhaling hoorbaar is... Dan een onverwachte stamp op de houten vloer. Been I is boos. Het heeft genoeg van de poppenkast waarin hij zit opgesloten. Been I stampt de eerste schreden van de opstand der dingen en Steeper weet het.

Ook de beendorre vrouw heeft slapeloze nachten. Haar stemmen houden haar uit de slaap met onsamenhangende verhalen. Zij proberen haar voor iets te waarschuwen waarvan zij niet kan achterhalen wat het is. Dat er een opstand beraamd wordt, maar niet door wie of wat. De dingen in het brokkenhuis zwijgen als het graf en haar stemmen spreken wartaal. De verteller is verzonken in apathie, hij eet weinig of niets van het voedsel dat de mooie jonge vrouw hem voorzet. Hij wordt haar niet gewaar. De zon kondigt een nieuwe dag aan. Joris luistert aandachtig naar het gezang van de vogels. Vrij vertaald vertellen zij over een lange reis die zij ondernomen hebben en waarvan zij zojuist zijn teruggekeerd, over de gevaren die zij hebben moeten trotseren: wervelende winden, krachtige stormen, maar ook over de heerlijke oorden die zij hebben aangedaan. Joris verstaat de taal der dingen zonder zich daar bewust van te zijn. In de gelagkamer wacht hem een ontbijt en de waard die hem goede morgen wenst. Hij vertelt dat Franti al vroeg in de morgen is vertrokken. ‘Gaat u vandaag vertellen?’ vraagt de waard. ‘Welzeker,’ antwoord Joris met een mond vol pap. ‘Pst, Joris,’ klinkt het in zijn linker oor. Het is de stem van de beendorre vrouw. ‘Vertel en alles zal goedkomen,’ zegt ze en de stem zwijgt weer. Joris is blij dat de beendorre vrouw weer met hem spreekt.

De opstand der dingen. Onderzoek heeft uitgewezen dat de dingen in moerlemeie verkeren, maar niet alle IJkmeesters zijn dezelfde mening toegedaan. Over de toedracht en de voorspelbaarheid van de beweging der dingen. Joris oefent bij zichzelf het vertellen. Flarden van verhalen, dromen, sprookjes, legenden, sagen en grappen dwalen door zijn hoofd, terwijl hij zich op het bankje voor de herberg door de zon laat opwarmen en de geluiden van de bedrijvige stad aan zich voorbij laat gaan. Het klinken van het aambeeld, de marskramer die zijn waar aan de man brengt, de kooplieden die met handkarren hun goederen vervoeren. Joris verbaast zich over zijn eigen bestaan. Hij denkt aan zijn broers en zijn moeder, zijn vader die hij nooit gekend heeft, die nooit is teruggekeerd van de bedevaart naar het woud waar de Diafaan danst. Joris wil zijn geschiedenis niet mengen met zijn verhalen, hij verzet zijn gedachten en laat gedachteloos de beelden voor zijn ogen verschijnen. Hij ziet de ellende van de soldaten. Hij ziet de moeilijkheden van de Brouwer en haar stoet. Hij ziet door de ogen van Wiko de mooie jonge meisjes en vanuit een diep liggend verlangen ziet hij de mooie jonge vrouw die ooit sliep op een bed van droge bladeren. Hij laat zich niet verleiden haar zich naakt voor te stellen, zoals zij ligt te slapen tussen de ruwe lakens met haar hand tussen haar benen geklemd. Joris schrikt op. De waard is naast hem komen zitten. ‘Vertel mij, troubadour, wacht u nog steeds?’ ‘Ach, ‘ zegt Joris. ’Ik zou het geen wachten willen noemen, ik ben meer in afwachting van wat komen gaat. Ik ben in afwachting van toehoorders, en onderwijl oefen ik het vertellen.’ ‘En wat mogen die oefeningen zijn?’ ‘Ordening van de gedachten, van de beelden, korte verhaaltjes, mooie woorden,’ antwoord Joris als een ware troubadour. ‘Kent u ook pikante vertellingen?’ fluistert de waard.’Ik heb horen vertellen dat er zeer schone verhalen bestaan over jonkvrouwen en feeën en niet te vergeten de heksensabbat.’ ‘Zou u die verhalen willen horen?’ vraagt Joris verbaasd. ‘Niet ik, mijn klanten,’ zegt de waard blozend. ‘Ik ben geen minnezanger, zegt Joris die bedenkt dat hij dit gesprek aan Franti moet vertellen want misschien hangt zijn bekendheid af van de mate van vrouwelijk schoon in zijn verhalen, hier en daar een jonge deerne laten opduiken of vertellen over de orgieën van de heksen als zij naakt door het bos rennen en copuleren met dwergen of hun hoogtepunt vinden op een ingevette bezemsteel. ‘Ik zal erover nadenken.’ zegt Joris. In ene ziet Joris mooie jonge meisjes langskomen en hij kruipt in de huid van Wiko de wachter. Zijn ogen kijken de meisjes verlangend aan. De meisjes reageren met een flirt. Een van hen tilt haar rok op om hem te laten zien dat zij geen ondergoed draagt. ‘Daar wil je niets mee van doen hebben,’ zegt de waard schamper.’Dat zijn meisjes van plezier die alleen komen voor klinkende munt, niet voor de liefde.’ Maar Joris kijkt hen verlangend na. Dan ziet hij dat er meer vrouwelijk schoon in de straat te vinden is. Bij een waterput staan twee jonge vrouwen te praten en met water te spetteren. Hun natte blouses tonen al het schoon dat eronder verborgen zit. Als ze in de gaten krijgen dat Joris naar hen zit te staren draaien zij zich lachend om en tonen hun wiebelend achterwerk. Joris raakt er opgewonden van en gaat snel de herberg binnen. ‘Een bier om het vuur te blussen?’ vraagt de waard die hem naar binnen gevolgd is. ‘Graag en doe er maar een Palinka bij.’ Joris kan de prachtige lichamen van de vrouwen niet uit zijn hoofd zetten en hoewel hij nog nooit een vrouw naakt gezien heeft kan hij zich er van alles bij voorstellen. ‘Heeft u geen lief?’ vraagt de waard. Joris zucht diep en de waard weet genoeg. De twee jonge vrouwen komen lachend de gelagkamer binnen. 'Bent u de stadstroubadour?’ vraagt een van hen met een brede glimlach op haar gezicht. Joris bloost en stamelt iets onverstaanbaars. ‘We zullen je niet opeten hoor!’ zegt de ander met een vertederd gezicht. ‘Laat hem met rust!’ gebiedt de waard.’Hij is aan het werk.’ ‘Wat doet u?’ vraagt een van de vrouwen. Ze heeft haar handen uitdagend in haar heupen gezet en duwt haar volle borsten naar voren zodat de tepels door de nog natte stof te zien zijn. Joris adem stokt in zijn keel. ‘Hij denkt,’ zegt de waard. ‘Hij ziet er niet uit alsof hij denkt,’ zegt de vrouw spottend. Joris staart naar de borsten, zijn mond valt open. ‘Wil je ze aanraken?’ vraagt de vrouw die naast hem is komen staan. Joris schudt verward het hoofd. ‘Laat hem toch!’ zegt de waard. ‘Heb je een lief?’ vraagt de vrouw. De waard staat driftig met zijn hoofd te schudden. ‘We gaan al,’ zegt de vrouw tegen de waard. Ze geeft Joris een vette knipoog. ‘Denk er maar over na,’ zegt ze bij de deur gekomen terwijl ze met beide handen haar borsten opdrukt. Joris ontsnapt uit de ogen van Wiko en weg zijn de mooie jonge meisjes. ‘Je had ze een verhaal op de mouw moeten spelden,’ zegt de waard. ‘Vrouwen zijn gek op verhalen.’ Joris loopt naar buiten, maar de mooie jonge meisjes zijn verdwenen. Wel ziet hij Wiko aan het eind van de straat staan. Joris vlucht naar binnen. ‘Wat is er, het lijkt wel of je een geestverschijning hebt gezien.’ zegt de waard. Joris gaat bij het raam staan en ziet tot zijn opluchting Wiko niet meer. ‘Wat was er?’ vraagt de waard als hij weer kleur ziet verschijnen op zijn gezicht. Joris zwijgt. Hij hoopt dat Franti snel terug komt. Franti zit op dat moment nog in een van de IJktorens formulieren in te vullen die moeten leiden tot een bezoek aan de IJkmeester der IJkmeesters. Het zijn slechts formaliteiten want een toezegging van het IJkwezen tot een bezoek heeft hij al. Dat had hij al voor hij een aanvraag deed, want de IJkkring kijkt uit naar een onderhoud met Joris de zogenaamde stadstroubadour. Franti is zich vooral bewust van het gevaar dat Joris zijn eigen verhaal gaat vertellen of dat hij onverwacht in zijn eigen verhaal terechtkomt zodat hem hetzelfde lot wacht als de verteller. Het zou de ontstane crisis alleen maar vergroten. Weliswaar weet Franti niet of de IJkmeesters kunnen helpen, maar het lijkt hem de enige goede weg uit vele mogelijkheden en onmogelijkheden. Hij ziet geen heil in een ontmoeting met Been I, vooral niet omdat Steeper W.J. tussen hen in staat. Het brokkenhuis is de laatste vluchtplaats. Als alles misloopt kan de beendorre vrouw hulp bieden, maar zij heeft duidelijk te kennen gegeven dat zij nu niets kan doen. Joris op reis sturen zou een regelrechte vlucht zijn, een ontkenning van de crisis. Joris laten vertellen, met alle gevaren van dien, en hem steunen met alle macht die voorhanden is lijkt de enige zinnige mogelijkheid en ook de meest interessante, bedenkt Franti die houdt van mooie en spannende verhalen, zeker als er in gestreden wordt. Hij legt de laatste hand aan de formulieren en geeft dan de rollen papier aan de dienstdoende IJkbode. Op straat wordt Franti aangesproken door een boodschapper. ‘Er wacht een heer op u op de brakkegrond,’ zegt hij. Zo snel als zijn benen hem kunnen dragen rent Franti in de richting van de Witte Waan waar Joris eenzaam in een hoekje van de overvolle gelagkamer zit. Enkele gasten hebben hem verzocht een verhaal te vertellen, maar het enige dat Joris antwoordt is. ‘Ik wacht.’ Hij wacht op Franti want hij is bang, bang dat zijn dromen nachtmerries worden, bang dat hij zich verliest in een verhaal. Meteen als Franti binnen komt loopt hij naar Joris. Hij wenkt naar de waard. ‘Het is allemaal voor elkaar,’ zegt hij. De waard komt aan hun tafel staan met een kruik bier en drie glazen. ‘Vertel me wat er gaande is,’ zegt hij de glazen volschenkend. ‘Standvastigheid is geboden,’ zegt Franti, ’De crisis is nog niet beslecht.’ ‘Ho, ho,’roept de waard, ‘hier begrijp ik niets van, gebruik je moeders taal!’ ‘Kunt u waarborgen?’ vraagt Franti op de man af. ‘Borgen kan ik en mag ik ,’ zegt de waard. ‘Kunt u een plaats waarborgen waar Joris kan vertellen?’ ‘Natuurlijk, dat is geen probleem. Waar verteld wordt, wordt geluisterd, waar geluisterd wordt, wordt gedronken. Vertel me wat ik moet doen.’ ‘Een borg naar het IJkwezen sturen en een aanbevelingsbrief opstellen waarin u Joris prijst voor zijn vertelkunst. ‘Dat eerste doe ik meteen, de brief moet je zelf maar schrijven, ik teken wel.” ‘Afgesproken,’ zegt Franti die zich vervolgens tot Joris wendt. ‘Wacht even,’ zegt de waard. ’Ik begrijp nog steeds niet wat er aan de gang is.’ ‘De opstand der dingen,’ fluistert Franti en hij legt meteen een vinger op zijn lippen Joris en de waard schrikken terug. ‘Je moet blijven vertellen,’ zegt Franti dwingend tot Joris, ‘Ik moet nu weer gaan, iemand wacht mij op de brakkegrond. Hij drinkt zijn glas leeg. ‘Ik kom zo snel mogelijk terug,’ zegt hij en haast zich naar de deur. De waard begint stoelen te verplaatsen en spoort onderwijl bezoekers aan naar Joris zijn verhalen te luisteren. Hij vindt snel gehoor, binnen de kortste keren zit er een hele groep mannen en vrouwen rond Joris geschaard. Joris wijfelt, Joris twijfelt, maar begint dan te vertellen:
‘Voor dag en dauw wordt u gewekt door de oude man die de paarden al voor de wagen heeft gespannen. Twee mannen tillen houten vaten in de wagen en de kookster brengt een mand met voedsel. ‘Morgenavond hebben we kamp aan de rand van het woud waar de Diafaan danst,’ zegt de Brouwer die U uitgeleide komt doen. ’We reizen dan in zuidelijke richting langs het woud. We hopen u snel weer terug te zien.’ U klakt met uw tong, de paarden komen in beweging. Het is een prachtige morgen. De hemel is diep blauw, miljoenen sterren fonkelen als diamanten en in het oosten onder de horizon maakt de zon haar opwachting. ‘Rijd maar naar het licht’ zegt de oude man die zich in de kar te slapen legt. U spoort de paarden aan, maar zij hebben moeite vaart te maken op de kleiachtige grond onder hun poten. Waarom heeft u zich in dit avontuur gestort? Is het uit nieuwsgierigheid? Of omdat u toch niets anders te doen heeft? Is er niet een belangrijke taak die op u wacht? Vooralsnog vragen die niet beantwoord hoeven te worden want u heeft deze opdracht op uw schouders genomen. Na een poosje ploeteren in de zuigende klei, wordt de grond harder en droger en gaat het een stuk sneller. Uw wagen laat zowaar stof opwaaien. De oude man ontwaakt. ‘We naderen het woud, ik kan de bomen ruiken,’ zegt hij. En jawel even later ziet u de eerste boomtoppen. Het woud ligt als een deken in het landschap.’ ‘Neem dan Wiko de wachter in gedachten!’ Joris stopt even met vertellen en bekijkt zijn toehoorders die allen proberen Wiko voor te stellen. Natuurlijk is de waard daar, met een vuil schort rond zijn buik geknoopt, altijd werkend, pratend, aansporend nog meer bier te drinken, wat de gasten graag doen in zijn gezelschap. Er is een groepje handelslieden dat altijd bij elkaar aan tafel de wijn rijkelijk laat vloeien. De boodschappers van het IJkwezen die de herberg als ontmoetingsplaats gebruiken sinds de herberg gewaarborgd is gieten de biertjes vlot naar binnen. De vaste kliek: een Brouwer, de wasvrouwen, de smidse, timmervrouwen en -mannen en altijd hangen er kinderen rond van wie niemand weet bij wie ze horen. Soms doen vaganten de herberg aan.

‘Als we wisten over meisjes van plezier, als ze echt zouden bestaan zoals vaak beweerd wordt, dan zou onze lol er snel af zijn, want zo romantisch als wij zijn is ook ons wereldbeeld. Wij laten onze dromen niet meer verstoren. Stel eens voor dat we zouden moeten betalen om met de mooie jonge meisjes op de tafel te mogen dansen, betalen om grappen en grollen met hen uit te halen, te zingen en lachen. Daar is geen betaling voor mogelijk, het is onbetaalbaar en laten we daar op drinken. En allen lachen wij luid om ons ongenoegen over zulke prietpraatjes te uiten, niets is meer ondenkbaar. De verhalen over de komst van de mooie jonge meisjes worden van alle kanten bevestigd. Wij mogen nu gevoegelijk aannemen dat zij zullen komen nog voor de zomer aanvangt, misschien zelfs eerder. Zij zullen in groten getale naar de stad toekomen om zich met ons geestelijk en lichamelijk te verenigen, zodat wij een grootse tijd tegemoet kunnen zien. Onze feesten zijn uitgegroeid tot ware gebeurtenissen die zich niet meer beperken tot het drinken van bier en Palinka en het verorberen van worstebroodjes. Somtijds krijgen wij het op onze heupen, wij zijn dan als Malle Eppie en halen hele worsten, kratten champagne, patee’s, vruchten op siroop en de mooiste hammen uit de kelders. Wij feesten nagenoeg twee dagen en twee nachten tot wij er bij neervallen en minstens een dag niet kunnen eten en drinken.’
De waard werkt zich uit de naad, hij slaat nieuwe vaten aan. De waardin komt handen tekort in de keuken van de Witte Waan. Steeper W.J. maakt voorbereidingen voor de komende mis, Hij zal een preek moeten improviseren. Pas laat was hij uit zijn bed gerold omdat het tegen de ochtend pas stil was geworden in de kamer van Been I. Daardoor had hij geen tijd meer om de preek te schrijven. Hij veegt een spin die in beeld Been een web was begonnen van het altaar. ‘Opzouten jij!’ roept hij uit zijn humeur. Aan de deur hoort hij de stemmen van de eerste beenlingen,-allen zijn zij derde beens-, die meestal nog een sigaret roken voor de kerk in het zonnetje alvorens Steeper te helpen met de voorbereidingen. De kerk. Een bont decor van uiteenlopende vormen. De pracht en praal van psychotische schijn, wilde patronen in blind makende kleuren, als rood in zwart, als blauw in geel, als groen in bruin, in alle mogelijke schakeringen, vloeiend en stekend, hangend en staand. Stoelen en hangmatten, tapijten met kussens, stellages om in te hangen en overal spuit water uit fonteinen en geurt het naar bloemen zoet en zacht of zwaar bedwelmend. En de beelden Been. Schoppend Been. Staandbeen. Liggend been. Hangend been. Lopend been. Steil staande pilaren, kruisende bogen, zwierende gewelven, en blik verstorende mozaiken. Het geroezemoes van de eerste beenlingen die de kerk bevolken, innemen, zich eigen maken, het is hun kerk, de kerk van Been, de kerk waar Steeper predikt. ‘Laat u gaan,’ zegt Steeper de ceremonie openend en de beenlingen lachen, praten en schreeuwen door elkaar. De beenlingen liggen, hangen, zitten, doen een polonaise op wild gezang, er is genoeg beenruimte. Dan is het ineens stil in de kerk want Steeper gaat spreken en aanstonds zal Been verschijnen, in al de pracht en praal die Been I waard is. Been in zwart pantalonbeen met gouden bies, grijs geblokte sok en een zwart leren schoen met grijze veters, of een dieprode pantalon met gele streep, hooggehakte schoen en paarse sokken of een werkbroekspijp vol vlekken, een zware werkmansschoen en dikke wollen sokken, of naakt zoals Been rust en elk moment kan Been I verschijnen op het altaar, een moment waar iedereen naar uitkijkt. Een verheven ogenblik, een psychotische extase. De huismuziek buldert en zindert. De dolende geesten worden verward. Worden meegenomen door de onsamenhangende klanken en ritmen op een psychotische reis, waar waan en waar zich verenigen. De schelle tonen scheren over de hoofden, penetreren de gehoorgangen en denderen op het trommelvlies. BANG en de rust keert weer op zacht zoete tonen van huilende violen en treurend hoorngeschal. De beenlingen doezelen verwarde dromen. Steeper spreidt de armen als drukt hij alle beenlingen tegen zijn borst, de muziek sterft weg, alles komt tot rust. ‘Geachte meebeners, vandaag zijn wij wederom bijeen om Been I te derden, om ons derde been te borgen in ons chaotisch bestaan. Zie op en aanvaard Been I als het derde been en zie al uw dromen zijn werkelijk geworden, alle wensen vervuld. Draai met uw ogen, lebber met uw tong, maak spastische bewegingen, daar draait het allemaal om, laat tranen en sappen rijkelijk vloeien opdat u vrij bent Been I te aanvaarden. Beendracht maakt macht.’ ‘Staandebeens met derde been,’ klinkt het uit honderden eensgezinde kelen, vrouwen en mannen, ouderen en kinderen, allen zijn zij dolenden maar op derde been staands. ‘Kallen is mallen en doen is een ding,’ zegt Steeper W.J. ’Elk moment telt, alle dingen dragen karakter naar hun vorm. Zie Been en aanvaard alle dingen in oprechtheid, want een vergeten koffiekopje is eenzaam, en de ongebruikte fiets schreeuwt om een ritje, een stoel is gelukkig als men erop zit, want het dient zijn doel stoel te zijn. Been I bewijst het, want hij doet wat men van een been verwacht: het stapt, het loopt, het schopt, het trapt, het stampt, het valt en somwijlen stoot het de knie of het scheenbeen, en somwijlen groeien de teennagels in of opengesprongen blaren of een eksteroog. Men bejegent de dingen naar hun doel, want de dingen willen erkend worden om hun vorm, hun diepste wezen om hun uiteindelijke doel, -gebruikt te worden- te voldoen. Het boek vraagt erom gelezen te worden, het trottoir ligt trots in de drukke winkelstraat want het draagt de voeten. Sta op en bestamp de grond onder uw voeten opdat u weet dat u bent, en waar u bent: u bent in aanwezigheid van Been I, het derde been.’ Achter in de kerk, niet ver van de hoek waar Rice zijn vaste plek heeft, staan Joris en Franti geleund tegen een met kussens beklede wand naar Steeper te luisteren. Net als iedereen zijn ook zij in afwachting van Been I. Been had er allang moeten zijn. Het spotlicht is op een gesloten deur gericht waar geen beweging in komt. Steeper kijkt zenuwachtig de kerk in, dan naar de deur. De muziek zwelt aan, trommelgeroffel en knetterende trompetten. Het spotlicht wordt feller, maar de deur blijft gesloten. Steeper rent naar de deur en trekt deze open... geen Been. Hij rent de gang door, rukt deuren open en roept Been aan. Hij trapt de laatste deur in de gang open en stormt de huiskamer binnen. De beenbank is leeg. Been I is weg en Steeper W.J. is Staandebeens zonder derde been. Been I waar gaat dat heen? In de kerk heerst nog steeds de roep om extase. De lichamen zijn gespannen, monden vallen open, ogen draaien in de oogkassen, schuim op de mondhoeken, haren als slierten voor de ogen, men wacht op de uitbarsting. Steeper komt verslagen de kerk binnen. Hij waagt zich niet op het podium, maar loopt met gebogen hoofd naar het midden van de kerk, waar hij onder beeld been de ogen opslaat en met dramatische openbaring ‘Been is weg’ door de kerk schreeuwt. Nog heerst er een rustige stemming want de woorden dringen nog niet door. Dan een eerste gil, dan van het ene moment op het andere is alle energie op Steeper gericht. Lichamen duiken op hem en vermorzelen hem onder hun gewicht.
Franti en Joris drukken zich angstig tegen de wand, want zo’n uitzonderlijk tafereel hebben zij nimmer bijgewoond. De hele goegemeente duikt op Steeper, W.J. die maar tenauwernood kan ontsnappen aan een wisse dood. De menigte gaat wild uit elkaar, verspreid over de kerk, dan trekt zij weer samen in een bal en spat uit elkaar in duizend scherven. De deuren vliegen open, de waanzinnige beenlingen vluchten de stad in om verwarring te stichten. De moerlemeie slaat toe in al haar hevigheid. Joris en Franti blijven achter in een lege kerk. Steeper, die wist te ontsnappen naar het parochiehuis, sjokt de kerk weer in. Zijn kleren zijn gehavend en hij hinkt met een been. Hij valt neer naast het altaar. Schuim staat in zijn mondhoeken, zijn ogen staren scherp in het niets, hij kermt onverstaanbare klanken. Joris en Franti die naderbij zijn gekomen kijken geschokt naar hem. ‘Is dat de kracht van Been I’ zegt Franti zonder een reactie van Steeper te verwachten. Joris sjort aan hem. ‘We brengen hem naar de beendorre vrouw,’ zegt Joris. ‘Nee,’ zegt Franti, ‘Naar de verteller, de mooie jonge vrouw kan voor hem zorgen, misschien komt hij daar bij zinnen,’

De beendorre vrouw leest in het grote in leer gebonden boek met gouden opschrift. Zweetdruppeltjes staan op haar voorhoofd. Driftig slaat zij de pagina’s om en leest de wilde woorden die er geschreven staan. ‘Wie schrijft deze woorden?’ schreeuwt zij door het brokkenhuis en haar stemmen antwoorden onzinnige dingen. Ze leest belust verder.
‘Wat nu?’ zegt Joris als zij Steeper naar de toren van de verteller hebben gebracht, de mooie jonge vrouw had zich niet laten zien. ‘Je moet vertellen, je moet het verhaal vertellen dat ons zal redden uit deze chaos, het is nog niet te laat. 'Maar welk verhaal?’ klaagt Joris. ‘Je moet wachten op de juiste woorden. Kom, we gaan naar de Witte Waan, ik hoop dat het er niet al te druk is.’ De waard heeft de luiken gesloten en de deur is vergrendeld. In de gelagkamer hangt een gelaten stemming. Er wordt gedronken en men fluistert elkaar de woorden toe: ‘waar is de stadstroubadour?’ Er wordt op de deur gebonsd. De gasten schrikken op en de waard loopt naar de deur. Door een luikje kijkt hij naar buiten, de stad is in chaos, overal rennen schreeuwende mensen. Voor de deur staan Franti en Joris. Snel ontgrendelt de waard de deur en opent deze op een kier om hen binnen te laten, meteen achter hen gaat de grendel er weer op. ‘Goed dat jullie er zijn,’ zegt hij. ‘Men wacht op u.’ In de gelagkamer staan en zitten boodschappers en bodes, vaganten en eerzame burgers: de smid, de bakster, brouwers en brouwsters, beenhakkers en ook de mooie jonge vrouw die ooit sliep op een bed van droge bladeren, haar naam is Myra, want ook zij draagt een naam. ‘De verteller verzorgt Steeper,’ zegt ze,’maar hij kan niet vertellen, zo heeft hij gezegd. Hij zegt dat hij in een trein zit opgesloten met zijn personages en dat hij geen kans ziet zichzelf eruit te lullen, neem mij niet kwalijk voor het woord, maar zo zei hij het. Hij zegt dat een ander hem vertellen moet, hij is zichzelf tegen gekomen en kan niet zichzelf vertellen, dat is wat hij zei. Ook zei hij iets over... ik weet niet meer wat hij zei, hij zei ook zoveel dingen, raaskalde soms de vreemdste zinnen. Nu zegt hij niet zoveel meer, hij verzorgt Steeper, de predikant die ook niets meer te zeggen lijkt te hebben.’ ‘Kom je luisteren?’ vraagt Franti. ‘Het verhaal moet verteld worden,’ antwoordt ze. ‘Joris is de verteller,’ zegt Franti. ‘Nee, niet Joris vertelt, iemand anders vertelt,’ zegt Myra. ’Niemand weet wie.’ ‘Vertel Joris, vertel!’ zegt Franti. De waard heeft de mokken laten aangerukken en schenkt bier. Aan de stamtafel gaan zij zitten en maken het zichzelf gemakkelijk. Stoelen worden weer aangeschoven, met gedempte stem praat men, men lacht bescheiden om Joris de rust te gunnen die hij nodig heeft om het verhaal te vertellen. ‘Praat rustig door,’ zegt Joris.’Ik moet op de woorden wachten. Drink, praat en lach luidruchtig zodat ik kan nadenken,’ Buiten de Witte Waan buldert de moerlemeie. Het lijkt alsof de stad met de grond gelijk gemaakt wordt, zo klinkt het. ‘Nee Joris, je moet aanstonds beginnen. Begin met het verhaal dat wij allen kennen. Ons verhaal. Wij die op de bok zitten van een houten wagen en voedsel gaan halen voor de dieren van de stoet. De redders in nood zijn wij en we bevinden ons aan de rand van het woud waar de Diafaan danst. Begin daar, wij zullen volgen,’ zegt Franti. Joris drinkt in één teug zijn glas leeg en schraapt zijn keel met veel gerucht. Het wordt stil in de gelagkamer. ‘U volgt de rand van het woud in zuidelijke richting, want daar bevindt zich de nederzetting van de reizigers waar u voedsel kunt halen. De bomen geuren zoet en de vogels tsjilpen dat het een lieve lust is. Plotseling duiken twee soldaten uit de bosjes. U houdt de paarden in zodat de kar met een ruk tot stilstand komt. De oude man kruipt verschrikt naast u op de bok. ‘U mag hier niet komen,’ zegt een van de soldaten. ‘Dit is verboden terrein. Elk moment kan het sein tot aanvallen gegeven worden.’ ‘U maakt mij niets wijs,’ zegt u. ’Ik kan hier best langs, want op dat sein wachten jullie al weken, wat zeg ik, maanden. Doe mij een lol.’ Uiteraard bent u zelf verbaasd over uw daadkrachtig optreden, maar u klakt met de tong en de kar komt weer in beweging. De soldaten blijven verbouwereerd achter. Even later komen ze achter u aan gerend. ‘Mogen we meerijden?’ vragen ze en u gebaart dat ze in de wagen kunnen klimmen. Met uw vieren wordt de reis voortgezet. Dwaze soldaten, denkt u, dat ze zo met zich laten sollen. Het vlakke landschap verandert in heuvels. Langs het woud vormt zich een dal dat in een diepe spleet eindigt. Er kabbelt een riviertje dat later wordt tot een wilde stroom als het van de rotsen naar beneden klettert. Er is net genoeg ruimte in het spleet in de rotsen voor de paarden en de wagen. Het beekje stroomt gewillig tussen de varens. Voorbij een bocht in het ravijn stort het water meters naar beneden en voor u openbaart zich een weids landschap van bruingroen gesteente en keurige groepjes bomen langs de rustig stromende beek. ‘Daar is de vijand!’ roept een van de soldaten verschrikt. Hij wijst op een legertent en een aantal bouwvallige barakken. Er is geen levende ziel te bekennen. De soldaten springen van de wagen en rennen het vijandig kamp binnen. Hier en daar liggen lijken te stinken in greppels, ook langs het water liggen kadavers. U rijdt achter de soldaten het kamp binnen. Vanuit het woud komen honderden soldaten tevoorschijn die juichend de heuvel afstormen en bezit nemen van het vijandig kamp door hun vlag in de grond te steken. U maakt dat u weg komt voor de soldaten tot rust komen, want u verwacht moeilijke vragen waar u geen antwoord op weet. U laat de overwinningsroes achter u. De oude man die al die tijd zwijgend heeft toegekeken zegt ‘oorlog is een naar ding’, waarna hij weer in zwijgen vervalt. De beendorre vrouw herleest passage na passage, bladert wild in het boek terwijl haar stemmen aanwijzingen geven in alle toonaarden: ‘...lees pagina 99 nog eens..., nee, de eerste pagina..., volg het verhaal...,lees vooruit!’ De beendorre vrouw kan haar gedachten niet bij elkaar houden, maar blijft zoeken naar een aanwijzing, een vingerwijzing. ‘Mijn tantes en mijn nichtjes zijn vol van verhalen die zij in de stad hebben gehoord en van de dingen die zij hebben gezien. Mijn neven en ik trekken ons terug in ons tuinhuis om te beraadslagen. We moeten de deur barricaderen en geen vreemden binnen laten. We moeten ons verder afsluiten van de moerlemeie. Om de stemming erin te houden speelt mijn zusje, op ons verzoek, op de piano. De tantes ruimen de keuken op om plaats te maken voor de gehamsterde proviand. Oom Karel heeft zich al een tijd teruggetrokken in zijn studeerkamer. Wij zijn allen blij dat wij tijdig afstand hebben genomen van de wereld om ons heen, zodat ons nu geen blaam treft.’ Joris stopt met vertellen want hij heeft geen woorden meer. ‘Waar bevinden we ons?’ vraagt Franti. ‘U vervolgt uw weg door het dal dat omringd door bergen weer vernauwt tot een ravijn waar de wanden steiler zijn dan steil. Ondertussen kijkt u uit naar een teken dat duidt op de aanwezigheid van de reizigers die zich hier ergens moeten ophouden. De oude man snuift. ‘Er komt een tweesprong,’ zegt hij. En jawel u ziet even later dat het ravijn zich splitst. ‘Links of rechts? ,’ vraagt u de oude man. ‘Links natuurlijk,’ zegt de oude man geïrriteerd.’Rechts gaat het woud in en daar willen we niet naartoe.’ U houdt links aan en even later gaat de weg steil omhoog. De paarden hebben moeite de wagen omhoog te trekken. Boven aan het pad ziet u de nederzetting die u zoekt. De nederzetting is prachtig gelegen aan de rand van het woud. Er staan verschillende kleine boerderijen omringd door graanvelden, moestuinen, kruidentuinen en grasland. De nederzetting is omheind met een muur van houten palen, met een poort en een wachttoren. U maakt vaart. Bij de poort wordt u staande gehouden door de Drager die meteen de oude man herkent die van de wagen klautert. Ze omhelzen elkaar innig. ‘Is de voeder hier?’ vraagt de oude man. ‘Hij zit in zijn hut en denkt,’ zegt de Drager. ‘We hebben voedsel voor de dieren nodig,’ zegt de oude man.’We moeten zo snel mogelijk terugkeren naar de stoet.’ ‘Hoeveel komen er?’ vraagt de Drager. Inmiddels zijn de overige ex-reizigers bij de wagen komen staan. ‘Vele honderden,’ zegt de oude man. ‘Vanuit alle gewesten komen ze deze kant op. De stoet kan al over drie dagen hier zijn. Blij verrast kijken de reizigers elkaar aan. ‘Ze komen, ze komen,’ roept de geheelonthouder een rondedansje makend. ‘Wie komen?’ vraagt de Voeder die op het rumoer afgekomen is. ‘De vrouwen, de kinderen, de families en vele anderen. Eindelijk kunnen we een stad stichten,’ zegt de Drager. ‘Het idee alleen al is waanzinnig,’ zegt de Voeder ‘Laat staan de uitvoering.’ ‘Waanzinnig, waanzinnig...’ roept de Drager. U bent van de wagen gesprongen en staat temidden van de ex-reizigers. ‘We hebben voedsel voor de dieren nodig,’ zegt u koppen met spijkers slaand. ‘Kom maar met mij mee,’ zegt de Drager. ‘Ik help wel.’ ‘Voedsel voor welke dieren?,’ vraagt de Voeder. Niemand antwoordt. ‘De dieren van de stoet,’ zegt u achter de Drager aanlopend. De reizigers laden de wagen vol met granen, suikerbieten en balen hooi, terwijl u een uiltje knapt in de schaduw van een oude eik. ‘U kunt pas morgen in de vroege ochtend vertrekken,’ zegt de oude man.’ ‘Ik heb honger,’ zegt Joris geeuwend. Buiten de herberg is de rust enigszins teruggekeerd, in de herberg is de spanning om te snijden, want waar zal de stadstroubadour hen heen leiden? De beendorre vrouw heeft IJkbodes ontboden in het Brokkenhuis en geeft berichten aan elk van hen. Enkele bodes zijn in gesprek met de stemmen in het Brokkenhuis, er wordt gelachen om de grappen die zij vertellen. ‘Mag het wat stiller!’, zegt de beendorre vrouw. De stemmen dempen hun stemgeluid. ‘De IJkmeesters nemen het niet te zwaar op, maar ze kunnen niet veel doen tegen de plotselinge beweging der dingen,’ zegt een IJkbode. ‘Ze hadden niet voorzien in de verdwijning van Been I.’ ‘Ze waren gewaarschuwd,’ zegt de beendorre vrouw meer tot zichzelf dan tegen de IJkbode. ‘De stad is in rep en roer, iedereen verkeert in de waan. Slechts enkelen weten het hoofd koel te houden. Winkels worden geplunderd, huizen leeggehaald, er zijn nog geen gewonden, maar vele dingen worden vermist,’ vervolgt de IJkbode. ‘Ga naar de IJkmeester in de Blokkentoren en vraag hem om een verslag van de gebeurtenissen, ik wil weten wat er gebeurt,’ zegt de beendorre vrouw. Tegen een anderen bode zegt ze: ‘Ga naar de Witte Waan en vraag of Franti bij mij kan komen. Laat Joris vertellen!’ Als Franti even later op weg is naar het Brokkenhuis kan hij zijn ogen en oren niet geloven. De stad staat op zijn kop. Mensen rennen door de straten die bezaaid liggen met de meest uiteenlopende dingen. In enkele straten is meubilair neergezet. In andere straten ligt het wegdek open en zijn barricaden opgeworpen die worden verdedigd door kleine kinderen die met stenen naar voorbijgangers gooien. Hij ziet uitgebrande wagens waarvan de ossen en paarden de stad zijn uit gevlucht. Gelukkig ziet Franti ook IJkbodes rondrennen, het IJkwezen functioneert nog. In het Brokkenhuis is het een drukte van jewelste. IJkbodes lopen af en aan en de beendorre vrouw is druk doende in de keuken waar zij tegelijkertijd maaltijden bereidt en naar de verslagen van de bodes luistert die ze er meteen weer op uit stuurt met nieuwe opdrachten. Franti stapt de keuken binnen. ‘Vertelt hij nog steeds?’ vraagt ze. ‘Toen ik wegging zat hij te eten, maar na de koffie vertelt hij verder.’ ‘Je weet wat er gaande is?’ verifieert de beendorre vrouw. Franti knikt. ‘Ja, de IJkmeester der IJkmeesters heeft me in het geheim op de hoogte gebracht.’ ‘De opstand is onomkeerbaar,’ zegt de beendorre vrouw. ’De dingen zullen nog lange tijd uit hun doen zijn. Er is een manier om te ontsnappen aan de chaos, het is alleen niet helemaal duidelijk hoe. Het IJkwezen heeft groot vertrouwen in Joris, maar ik weet niet of hij het aankan en of hij de juiste persoon is om het grote verhaal te redden. Het kan zijn dat er een andere verteller is die het grote verhaal vertelt, maar hoe treden we met hem in contact? De IJkmeesters trekken alle registers na om te onderzoeken wie te boek staat als verteller of troubadour. Totnogtoe hebben we niemand gevonden. Tot zolang moet Joris blijven vertellen en misschien brengt hij de oplossing aan het licht. Hier neem dit voor hem mee.’ Ze duwt Franti een klein flesje in de hand. ‘Eén druppel is genoeg om hem een paar uur uit de slaap te houden, maar gebruik het alleen als het strikt noodzakelijk is.’ ‘Zeg hem dat ik niet in staat ben persoonlijk met hem te spreken, maar dat ik achter hem sta bij elke verhaallijn die hij goed acht te vertellen. Franti maakt rechtsomkeer. De beendorre vrouw waarschuwt hem nog. ‘Je weet wat je moet doen als er iets mis gaat?’ Franti knikt. ‘Nou vort, ga je vriend steunen!’ Franti wil er niet aan denken dat er iets mis zou kunnen gaan, maar hij is zich terdege bewust van de gevolgen wanneer alles in het honderd loopt. Het einde van alle vertellingen en de ondergang van het grote verhaal. Het verhaal zou gewoon ophouden te bestaan indien niemand in staat is het te vertellen, wanneer Joris een dood spoor volgt of betrokken raakt bij zijn eigen vertellingen, een gevaar dat altijd dreigt. Dan, ja wat dan? Niets, helemaal niets, het ondenkbare niets. Joris vertelt weer. ‘Met volgeladen wagen gaat u de stoet tegemoet. De oude man is achtergebleven in de nederzetting om te helpen bij de voorbereidingen voor de ontvangst. De reis loopt voorspoedig want u kent de weg. U bent in een opgeruimde bui, het ravijn is adembenemend mooi, de rivier kabbelt rustig en de vogels zingen hun mooiste lied. In het dal is geen spoor meer te bekennen van soldaten of hun kamp. De rust is weergekeerd en opgelucht haalt u adem want soldaten stellen altijd niet te beantwoorden vragen waarop de kogel volgt. Met gejuich wordt u door de stoet ontvangen die net klaar is met het inrichten van het kamp aan de rand van het woud. De dieren zijn verzwakt en dat heeft de reis vertraagd. Uw taak zit erop, uw wagen is leeg, u bent weer vrij te gaan waar u wenst te gaan. Veel keus heeft u niet, want een groep kinderen heeft zich in uw wagen geïnstalleerd en roepen dat zij een eindje willen rijden. ‘Bent u een jongetje of een meisje?’ vraagt een klein meisje dat naast u op de bok is komen zitten als u een feestelijke rondrit met de wagen maakt. ‘Soms een jongetje, soms een meisje,’ zegt u na een tijdje en u bent verbaasd, hoe komt u erbij zo’n antwoord te geven? Myra kijkt Joris lachend aan. ‘Maar het meisje is totaal niet verbaasd, integendeel, ze drukt zich tegen u aan en legt haar hoofd in uw schoot. U heeft een wagen volgeladen, vol met kleine kinderen en als u de wagen tot stilstand brengt en van de bok springt gaat er gejoel op. ‘Morgen mogen jullie weer meerijden,’ roept u over het gejoel heen. De kookster lacht, de Brouwer lacht, iedereen lacht, ziet u en ook u moet onbedaarlijk lachen. ‘Dus u rijdt mee?’ vraagt de Brouwer. ‘Graag,’ zegt u. ‘En u neemt de kinderen op de wagen?’ ‘Als iedereen dat goed vindt, heb ik geen bezwaar,’ zegt u. ‘We kunnen het bij het avondmaal bespreken,’ zegt de Brouwer.’ De waard heeft de tafels leeggeruimd en zet glazen bier neer voor zijn gasten: de stadstroubadour Joris, de mooie jonge vrouw die sliep op een bed van droge bladeren genaamd Myra en Franti de IJkbode die zich weer bij het gezelschap gevoegd heeft. De waard weet wat er op het spel staat en stelt alles in het vermogen om het Joris zo aangenaam mogelijk te maken. De samenstelling van de overige gasten wisselt elk moment. Bodes nemen delen van het verhaal mee om aan de IJkmeesters te verhalen. Stadsomroepers vertellen de verhalen op de pleinen, in de straten, in de kroegen. De verhalen van Joris worden keer op keer verteld, eindeloos herhaald en vertaald door losse tongen. Nieuwe verhalen worden aangebracht door bodes en dan ten overstaan van allen in ijdelen moede doorverteld. De stad bruist van de vertellingen. Dolende geesten blijven staan als een verteller vertelt om luister bij te zetten. Aandachtig zijn zij die luisteren naar mooie verhalen. De woorden nemen de stad in. Het woord sleutel opent deuren. Het woord voet trapt ruiten in. Het woord pen schrijft opruiende teksten. Het woord mond herhaalt alle verhalen die de ronde doen zoals Joris de stadstroubadour die vertelt. ‘Ze zijn in de stad, de mooie jonge meisjes, we hebben het vernomen. Ze zijn de afgelopen dagen de stad in gehuppeld met wapperende rokken, hun deinende dijen, hun bevallige heupen en oh zo prachtig is hun zwevende haardos, hun slanke schouders waar handen vol borst aan hangt. Ze zijn er en ze komen snel naar ons toe, dat schijnen ze al gemeld te hebben. Ze hebben een lange reis achter de rug, ondernomen om gehoor te geven aan onze lokroep en ze zijn moe en vuil, zij dienen zich eerst te baden en te rusten, dan zullen ze acte de présence geven. Blij zijn wij dat onze standvastigheid en onze aanhoudende lokroep vruchten afwerpt. Blij zijn wij dat ze nu echt komen, nee, dat ze er al zijn maar zich nog niet manifesteren. Nooit zouden we gedacht hebben dat onze feesten zouden uitgroeien tot ongekende grootte. Keer op keer zijn wij weer verbijsterd als het feest nog heviger blijkt te zijn dan de avond tevoren.Elke morgen denken wij het aller, aller grootste feest te hebben bijgewoond en dat het nu echt niet groter meer kan. In onze feestvreugde heerst ook angst want wat als een feest plotseling minder zou blijken te zijn, zouden we dan genoeg vreugde kennen? De angst wordt gelukkig overheerst door het grote verlangen. Het verlangen om met de mooie jonge meisjes samen te zijn, om te versmelten in een feestroes, om als massa een te zijn, om hoge toppen van extase te bereiken. Om onze wederhelften te omhelzen, te kussen, te betasten, te bevoelen, te begrijpen en met hen een te worden. Allen zullen wij de vochtige warmte vinden waar ons hunkerend lichaam om schreeuwt. Sappen zullen verenigd worden en wij zullen van nageslacht verzekerd zijn. Waar is het bier, waar is de Palinka, er moet gedronken worden op dit heugelijke feit.’ Myra kijkt Joris angstig aan. En Joris kijkt angstig terug. Waar moet dit verhaal op uitlopen. Joris, waar breng je ons heen? ‘ Oom Karel staat voor het raam van zijn studeerkamer naar buiten te kijken. Hij ziet de grote tuin met achterin ons tuinhuis. Hij ziet de witte omheining en verderop het meertje. Hij ziet de huizen van de buren en de daken van de huizen van de stad. En hij ziet de torens van het IJkwezen zich afsteken tegen de bergen op de achtergrond die het einde vormen van de brakkegrond. Ook ziet hij ons staan al laat hij dat niet blijken. Mijn neven en nichten en ik hebben ons verzameld in de tuin voor spoedoverleg, want zo kan het echt niet langer doorgaan. Niets kan zo belangrijk zijn dat iemand zich zo verwaarloost, want oom Karel eet bijna niet meer, wast zich niet, slaapt weinig of niet. Of hij staat voor het raam, of hij zit aan zijn bureau te schrijven in een groot in leer gebonden boek. Hij is onbereikbaar voor elk menselijk contact en als wij over zijn schouder proberen te lezen wat hij schrijft slaat hij het boek dicht en wacht geduldig tot wij de kamer weer verlaten hebben. Mijn tantes storen zich niet aan oom Karel. Hij is altijd al een rare kwast geweest. Zolang hij niet in de kamer poept vinden zij alles best. Zij hebben andere dingen te doen dan zich druk te maken over zo’n futiliteit, er staat van alles op het spel. Mijn neven en nichten en ik zijn verontrust over deze onhandelbare situatie. Er dienen stappen te worden ondernomen, hier is sprake van een crisis, van wat precies is ons niet duidelijk, dat dient onderzocht te worden. Oom Karel ligt ons na aan het hart, hij is onze enige oom, wij missen de goede raad die hij altijd placht te geven. Vaak de wijste reactie had op de ijken van de IJkmeesters toen zij nog op huisbezoek kwamen. En somwijlen met bezwerende woorden sprak hij over waarden en normen, over de schoonheid der dingen, hun welwillendheid ten opzichte van oprechte mensen en hun bijkans onvoorspelbaar bewegen. De welwillendheid is verdwenen, onheilspellend is hun bewegen en oom Karel is het aan ons verplicht zijn naasten, ons, te helpen in deze verwarrende tijden, de waanzin is aan de macht. Hoe kunnen wij oom Karel dwingen tot ons te spreken? Mijn neven opperen zijn pen te stelen opdat hij zijn gedachten uitspreekt in plaats van deze alleen aan het papier toe te vertrouwen. Mijn nichtjes maken bezwaar omdat zij oom Karel niet wensen te kwetsen. We kunnen hem het licht in de ogen ontnemen of eenvoudiger de elektriciteit afsluiten. Wij komen niet tot overeenstemming en mijn tante roept dat de lunch klaar staat. Vanuit het tuinhuis zien we oom Karel voor het raam staan. Hij ziet dat de zon op zijn hoogste punt is, dat de wolken sluieren en dat het spiegelend oppervlak van het meertje de bomen reflecteert. Hij ziet de kippen rondscharrelen in de tuin en het varken in het kot en de in de schaduw slapende honden. In het tuinhuis speculeren wij over wat oom Karel schrijft. ‘Misschien herhaalt hij telkens dezelfde zin,’ oppert een nichtje die een boterham met jam besmeert. ‘Nee,’ roepen mijn neven in koor. ‘Hij is niet zwakhoofdig. ‘Een wetenschappelijke verhandeling of een essay over het nut van tuinhuisjes of van geschiedenis.' Wij zijn allen zeer nieuwsgierig behalve de tantes die liever praten over de moerlemeie in de stad en al het ongemak dat het met zich meebrengt.’ De verteller dept het voorhoofd van Steeper met koude kompressen. Dit maal is het Steeper die wartaal uitkraamt, hoewel de verteller zich realiseert dat Steeper nooit anders gedaan heeft. Zijn obsessie voor been spookt al jaren door zijn hoofd. Toen hij derde beens werd verdwaalde hij in de wereld van waan en zag zich genoodzaakt deze wereld te idealiseren opdat iedereen zich toegang kon verschaffen tot de verbeelding. De tocht door Waanland heeft zijn sporen achter gelaten: Steeper ijlt. De verteller zit opgesloten met zijn personages in een gouden trein. Hij is twee coupees opgeschoven en eenmaal had een personage het hoofd om de hoek van de deur gestoken om hem te waarborgen. De verteller staat op en stapt het halletje in dat de coupees scheidt. Hij ziet de deur van het toilet dichtvallen en een schaduw schiet weg in het gangpad. De verteller aarzelt, want hij is er niet zeker van of iemand hem vertelt. Hij moet vertrouwen hebben in Joris de stadstroubadour, maar de verteller twijfelt aan zijn verteltechniek. Of de woorden van de vertelling kant of wal raken en daadwerkelijk het verhaal overnemen zodat de crisis beslecht kan worden. Zal Joris de confrontatie met de dingen aankunnen? De verteller stapt de coupé binnen. Verspreid over het compartiment bevinden zich de personages van zijn verhalen. Verhalen daterend van voor Been, ver voor Been. Mevrouw Dodemar die tevergeefs wacht op de dood en Meneer Tromp met zijn verloren leven omdat hij het neuspeuteren niet kon laten. Het zijn onafgemaakte verhalen van de verteller die het ook verdienen verteld te worden al was het alleen maar om de personages te bevrijden uit hun benarde positie. De verteller neemt plaats. ‘Jullie moeten het mij niet kwalijk nemen,’ begint de verteller zijn verhaal. ‘Ik kan niet alle verhalen vertellen, ook ik heb mijn beperkingen.’ Een voor een komen de personages van de verteller om hem heen zitten. ‘Ik zou graag willen sterven,’ zegt mevrouw Dodemar zachtjes. ‘Ik weet het,’ zegt de verteller bedroefd. Ik was niet bij machte het verhaal op de juiste waarde te schatten. Ik was niet bij machte het verhaal op de juiste wijze te vertellen. ‘Maar u kunt mij toch niet eeuwig in die hotelkamer opgesloten laten zitten met die naamloze hoer?’ zegt Bruno verontwaardigd. ‘Moet ik eeuwig treuren om het verlies van mijn lief, moet ik dan altijd tranen laten vloeien?’ zegt E-wout. ‘Ik wil graag sterven,’ zegt mevrouw Dodemar zachtjes. ‘Ik kan jullie verhalen niet meer vertellen. Het feit alleen al dat ik hier met jullie zit te praten zegt genoeg. Ik mag van geluk spreken als ik zeg dat ik blij ben dat ik niet meer onafgemaakte verhalen heb.’ De verteller kijkt om zich heen. Hij ziet personages waarvan hij het bestaan verzwegen heeft. Hij ziet personages waarvan hij het bestaan was vergeten. ‘We moeten vertrouwen hebben in de verteller van ons verhaal,’ zegt de verteller.’ Zij of hij zal ons een plaats verschaffen in het grote verhaal, zodat wij ons doel dienen, verhaalpersonage te zijn.’ Op dat moment rijdt de trein een tunnel in. Als de verhalenverteller gek is zal de toehoorder wijs moeten zijn. Weet Joris van al de verhalen die hij nog vertellen moet? Want mevrouw Dodemar zit in haar leunstoel bij het raam naar buiten te staren. Buiten spelen de kinderen, het is lente. Mevrouw Dodemar is al oud en zou er alles voor over hebben om nog een keer buiten te spelen met de kinderen. Een vage glimlach tekent haar gezicht, maar haar ogen wateren. De kamer is donker en muf, de gordijnen hangen aan spinnewebben vol jarenoude stofvlokken. Oh wat zou mevrouw Dodemar graag nog een keer in het park wandelen, nog eenmaal de vogels horen zingen, maar zij is gekluisterd aan haar kamer omdat ze zwak is, omdat ze alleen is. Mevrouw Dodemar schommelt. Hoe kan Joris weten dat juist dit verhaal dient te worden verteld. Ook het verhaal van Tromp die zich te gronde richt door onophoudelijk in zijn neus te peuteren, furore maakte met zijn hoogwaardig filosofische publikaties, maar al snel kalde, kallen is mallen maar doen is een ding, omdat hij via zijn neusgat stukjes hersenen weg peutert. Meneer Tromp peutert. Joris mag zich afvragen waarom juist deze verhalen afgemaakt dienen te worden. Waarom niet het verhaal van de buurvrouw die zit opgescheept met drie kinderen en een man die haar misbruikt; of het verhaal van de priester die parochie heeft in een klein dorp waar hij alle meisjes en jongetjes verkracht. Mevrouw Dodemar schommelt. Meneer Tromp peutert. ‘Vorm. Attribuut der dingen waardoor zij op zich zelf zicht-of tastbaar of visueel voorstelbaar zijn. De vorm tekent de dingen, het omhulsel, het verwijst naar binnen, wat men veronderstelt. De vorm verwijst naar buiten, alles dat is. Een mogelijke structuur. De eigenschap bepaalt de vorm en de vorm bepaalt de eigenschap en de vorm liegt altijd. Dat is wat de vorm is, de vorm is de betekenis der dingen, de vorm is de norm, zo leert men de dingen kennen door de vorm. Wat het ding is. Dat het is. Het ding.’ zegt de IJkbode. ‘Zijn dat de IJkmeesters of de waanmeester die hier spreken?’ vraagt Franti. ‘Dat weet ik niet, zegt de IJkbode, ‘maar deze IJk doet de ronde onder de ijkbodes en wordt als waar geborgd.’ De waard staat schuddebuikend aan de tap, zoveel prietpraat heeft hij in zijn leven nog niet gehoord. ‘Is er bevestiging van het IJkwezen?’ vraagt een oude man met lange grijze baard. ‘Niet dat ik weet,’ zegt de bode. ‘Dan hoeven wij het niet als waar te borgen,’ zegt de oude man. Franti knikt. ‘Dan wellicht het tegendeel,’ zegt de bode schalks. ‘U bent geen oprecht bode,’ zegt de oude man.’Naar u luisteren wij niet.’ De waard komt vanachter de bar vandaan en wijst de bode hardhandig de deur. ‘Vertel verder Joris en denk erom dat je waar vertelt,’ zegt de oude man met de grijze baard. De waard regelt met een paar toehoorders dat er proviand wordt ingeslagen, er moet gehamsterd worden. De herberg is vol, niemand waagt het naar huis te gaan voor de vertellingen voltooid zijn. Niemand wil een woord missen van de verhalen die Joris vertelt. ‘Als eerste in de lange stoet van landverhuizers rijdt u de nederzetting van de reizigers binnen. Met gejuich wordt u begroet. Het weerzien van geliefden doet de harten opspringen. Er wordt gedanst en gezongen, omhelsd en gezoend en u danst mee in de deinende menigte.’ ‘En wij wachten op de mooie jonge meisjes’, zegt Joris die onwillekeurig weer in de huid van Wiko gekropen is. Hij ziet de mooie jonge vrouw genaamd Myra. Haar gespierde benen. Haar volle borsten. De adembenemende blik in haar ogen. Hij ziet dat zij naar hem kijkt en het verlangen dat zij uitstraalt. Joris verlangt naar aanraking, haar overal te betasten, haar te ruiken, met haar te zijn. ‘Snel willen wij ons vermenigvuldigen,’ vervolgt Joris het verhaal.’Wij willen één worden en snel. Wij kunnen bijna niet meer wachten. De wasvrouwen hebben zich wijselijk teruggetrokken in hun huizen en kijken angstvallig vanuit hun keukenramen naar de binnenplaats waar zich bizarre tafrelen afspelen. Wij omhelzen elkaar. Wij vechten met elkaar. Wij schelden elkaar de huid vol en vlijen elkaar met mooie beloften. Wij springen, vallen en staan weer op en al de aandacht is gericht op de poort waar wij staan te dringen om de beste plaats voor in de gelederen om de mooie jonge meisjes te ontvangen, welkom te heten en hun harten te vervullen. Wij voelen en ruiken elkaar, het zweet zweept op.’ Joris valt uitgeput achterover. Hij wordt behoed voor zware verwondingen door de handen der toehoorders die hem dragen. Franti geeft hem een mok koud water. De toehoorders luisteren gespannen of er meer woorden zullen volgen. Joris kijkt verdwaasd om zich heen. Hij ziet duizend ogen op hem gericht. Hij ziet duizend oren gespitst. Hij hoort duizend stemmen spreken in verlangen. Hij hoort de stem van Myra tot hem spreken. ‘...rust maar even... rust... laat de woorden maar even gaan...’ Duizend boze tongen keren zich tegen hem. Duizend vurige ogen kijken hem aan. Weer slaat hij steil achterover in de armen van de toehoorders die hem rustig opvangen en terugduwen in zijn stoel. De ogen lachen, de monden spreken mooie rustige woorden, op de achtergrond dreunt de stad weer, het kraakt in de voegen. De woorden schieten door Joris’ hoofd. Hij opent zijn mond, maar de woorden lijken niet te willen worden uitgesproken, zijn gedachten ruisen. Dan dienen zich woorden aan: ‘Avontuur. Groot. Genoeg. Is. Avontuur. Geen. Geen avontuur is groot genoeg,’ zegt hij. Hij kijkt met Wiko’s ogen naar Myra. Haar borsten groeien in zijn ogen, haar benen gaan uitnodigend uiteen, ze slaat haar ogen op, haar lange haar valt over haar schouders. Dan een brandende pijn in zijn gezicht. ‘Neem me niet kwalijk,’ hoort hij Franti zeggen. ‘Ik moest dit doen.’ Joris wrijft in zijn gezicht waar de afdrukken van Franti’s vingers rood gloeien. Myra is weer gewoon Myra. De waard is weer waard. ‘Vertel, Joris, vertel!’ ‘Oom Karel is verdwenen. Vanmiddag was hij er nog, nu is hij weg. Radeloos zijn wij, want wij hebben maar één oom.’ De beendorre vrouw is nog steeds druk in de weer. Alle stemmen spreken in koor als zingen zij het lied van de tijd. Zij spreken van het verleden, wat nu is en wat komen gaat. Zij spreken van Been, en Clown en de steen. Zij spreken van Joris en Steeper. Van Rice en van de reizigers, de wachters en de soldaten, van de vogels, van de bomen, van de wassende maan, van de brandende zon, van de IJkmeesters en van de bodes. Het brokkenhuis zindert van bedrijvigheid. ‘De tijd zal dwalen,’ zegt de beendorre vrouw met verheven stemgeluid boven haar eigen stemmen uit en de stemmen reageren met meerstemmige zang in alle toonaarden. Zij reciteren het verloop van alle dingen opdat duidelijk zijn zal omtrent wat gebeurd is en niet gebeurd is en wat kan gebeuren en niet kan gebeuren. De bodes en boodschappers trekken door de stad om de dingen te verkondigen en verslag uit te brengen van de dingen die gebeuren. Waar en Waan dienen te worden herenigd om het evenwicht te herstellen. De inwoners van de stad openen hun deuren en ramen om het laatste nieuws van de stadsomroeper te vernemen. Gillende en schreeuwende stemmen verstoren de laatste berichten. Op het plein voor de psychotische kerk heeft zich een groep mooie jonge meisjes verzameld. Zij zijn weemoedig en klagen over het gemis aan mannelijkheid. Ambachtslieden timmeren de ramen van de kerk dicht onder protest van opstandige beenlingen. Het IJkwezen is genadeloos in hun poging de opstand te bedwingen. Derdebeens is uit de gratie, twee benen zijn genoeg om op te staan. Voor oom Karel zonder taal of teken het verhaal kan verlaten pakt Joris zijn verhaallijn op. ‘Oom Karel had de stad willen verlaten om de beroemde Diafaan met een bezoek te vereren. Net op tijd beseft hij dat de Diafaan niet echt bestaat, dat als hij de Diafaan zou willen vinden hij deze alleen door zijn fantasie manifest kan maken. Oom Karel fantaseert de Diafaan in de mensen die hij op straat tegenkomt. Hij fantaseert de Diafaan in de wervelwind die de bladeren op straat doet opwaaien. Hij weet de Diafaan te fantaseren in alle dingen. Op een bankje onder de spiegelpoort gaat oom Karel zitten. Het in leer gebonden boek met gouden opdruk dat hij bij zich draagt legt hij in zijn schoot. Hij slaat het boek op een willekeurige plek open en begint hardop te lezen: ‘Joris vertelt zijn verhalen in de hoop het tij te keren. Hoe goed hij zijn best ook doet de verhalen lijken hem te ontglippen. Franti bij wie de angst in de ogen te lezen is doet verwoede pogingen Joris op het rechte pad te houden, terwijl Myra juist Joris het hoofd op hol doet slaan met haar verleidelijke oogopslag. De waard weet ongewild -hij weet niet anders dan bier schenken en voedsel serveren - de gemoedsbewegingen van Joris in een opperste staat van extase te brengen. Kortom de moerlemeie dringt ongemerkt herberg de Witte Waan binnen.’ Oom Karel leest met lede ogen, want de moerlemeie lijkt haar hoogtepunt te naderen. De pogingen van het IJkwezen, met de beendorre vrouw als leidende figuur, de opstand der dingen neer te slaan doen meer kwaad dan goed, olie op het vuur. Oom Karel weet dat de moerlemeie moet zijn om later rust. Oom Karel leest hardop:‘Joris stamelt de woorden zo onduidelijk dat iedereen zelf de betekenis ervan kan invullen. Joris zegt maar wat. Het kwaad is geschied ook Joris vertelt zichzelf..’ De woorden vervagen op het papier. Zinsdelen wervelen over de pagina’s. Het boek in de schoot van oom Karel is onhandelbaar geworden. Pagina’s scheuren zich los en worden door de wind mee omhoog genomen, de vellen papier zwermen uit over de stad en een regen van onduidelijke woorden valt neer op de daken van de huizen, in de straten voor de voeten van de waanzinnige menigte die de woorden vertrapt. ‘Joris vertelt dat oom Karel leest dat Joris vertelt dat oom Karel leest dat Joris vertelt,’ zegt oom Karel. ‘Dan plotseling zwijgt Joris en alle toehoorders schrikken van de stilte. Alle verhalenvertellers, stadsomroepers, bodes en boodschappers, troubadours en minnezangers, IJkmeesters en waanmeesters zwijgen. De mensen staan roerloos in de straten van de stad. De wind speelt met de woorden.’ Alleen de beendorre vrouw roert de gemoederen terwijl de stemmen het verhaal tot een eind proberen te brengen. ‘De stad is in stilte gehuld,’ zingen de stemmen, ‘de soldaten zijn in alle rust naar huis teruggekeerd. De reizigers kunnen beginnen met het grote werk een stad te stichten. De wachters op de mooie jonge meisjes zullen niet eeuwig wachten. Steeper zal bij zinnen komen. De verhalenverteller zal ongedeerd samen met zijn personages het eindstation bereiken. Op een leeg perron zullen zij uitstappen en een nieuw verhaal beginnen.’ ‘Oom Karel leest met kalme stem voor uit het in leer gebonden boek dat in zijn schoot ligt,’ zingen de stemmen van de beendorre vrouw. ‘Hij vertelt het verhaal onder de bogen van de Spiegelpoort. Zijn woorden wegen zwaar, zij leggen de basis voor de vooruitgang van alle dingen. Zijn monotone stemgeluid verstomt alles dat geluid kan maken.’ De beendorre vrouw roert in de pot boven het vuur, daarmee het ritme aan gevend voor haar stemmen, zij lacht. ‘Oom Karel, oom Karel?’ roepen de stemmen. ’Hij vertelt ons verhaal, hij leest de beeldschone zinnen, het is zonder moraal, het brengt ons tot bezinning, hij vertelt van alle dingen, laat hem lezen, laat hem beginnen!’ Uit de grijze massa borrelen de verhalen op. Het moeras der gedachten gist op de klanken, de woorden, de verbanden, de vormen, de normen. De gasbellen spetteren aan het oppervlak uit elkaar in duizend tonen die stemmen vormen en het verhaal van het zijn van alle dingen vormen. De bomen. De planten. De dieren. De lucht en de wolken. De maan en de zon. En soms ook van de mensen. De stemmen vertellen van de eeuwigheid, van een zekere toekomst waarin veel dingen zullen gebeuren want de bomen zwaaien met hun bloesems in de voorjaarswind en de vogels eten bessen en bijen verzamelen honing. Gelukkig worden de woorden naar alle windrichtingen gedragen door de wind. En gelukkig worden zij ook gehoord en doorverteld en misschien later ook ingekerfd of opgeschreven. Zij vormen verhalen en gedichten en vormen alle tezamen het grote verhaal. Daar waar alles om draait. Laat het avontuur beginnen, want geen avontuur is groot genoeg.