Avondval

De dorre heidebloemen verstarren bij het avondlicht, mensen verzamelen zich om de horizon af te turen, er gedragen zich vreemde bewegingen en de vloed die zich had aangekondigd met een zwerm rode vogels, overvalt de menigte dermate dat ze als versteend de golf over zich heen laten komen, zand striemt de huid tot bloedens toe, verwilderde haren, loshangende kleren, gekerm en geschreeuw en dan een oneindige stilte.

Een stilte die onafgebroken de nacht afmaakt en in het ochtendgloren alleen de vogels laat zingen. De mensen die kunnen bewegen keren zwijgend huiswaards, verward en gehavend. Teneergeslagen zijgen zij neer in gelatenheid. De ooit zo opgewekte geesten zijn verslagen. Zij die niet kunnen lopen, kruipen tussen de lijken door, om de weide te verlaten. 

Natuurlijk blijven de wijzen achter om te overleggen en aan te zien hoe de menigte zich verdeelt in tandenloze groepjes die sprakeloos het veld ruimen. De wijzen zijn wijs genoeg om hen te laten gaan, want de tijd leert dat ze zich weer zullen groeperen, hoe lang het ook zal duren. Deze keer lijkt de verslagenheid zo groot, dat er jaren overheen zullen gaan voor er weer een eenduidige beweging zal ontstaan. De wijzen kijken elkaar aan en zuchten. Ze zien de choas en de huiveringwekkende gevolgen er uit. Het is niet hun taak om de gewonden te helpen. 

Een wijze buigt zich over een vrouw die kermend overeind wil komen, 'wilt u maken dat u gaat liggen, en luister. Het is erg ja, wat er is gebeurd, maar we hebben gewaarschuwd, dus aanvaard uw lot en sterf.' De vrouw valt terug en huilt. De wijze spreekt:'Als u niet uw huis had verlaten om de horizon af te turen dan was er niets aan de hand geweest, kijk om u heen, hoeveel levens hadden er gered kunnen worden als u had geluisterd naar de vogels.' Hij keert zich van haar af en vervoegd zich bij zijn vakgenoten. 'Dom mens' mompelt hij.

De heide stinkt. De stralende zon droogt het geronnebloed, maar doet de ingewanden rotten. Nog altijd klinkt gekerm en gejammer. De wijzen stappen tussen de lijken door over de vlakte en bekijken de gevolgen, wat had moeten gebeuren is gebeurd, daar zijn ze het over eens, dat de gevolgen groter zijn dan zij hadden voorzien - er waren veel meer mensen naar de weide gekomen om de horizon af te turen dan ze hadden voorspeld-  maakt niet uit, een lijk meer of minder is slecht een statistiek.

Ambtenaren die de schade komen opmaken, staan kotsend aan de rand van de weide notities te maken. Enkele tellen de overlevenden en noteren de schade: afgerukte armen, gebroken ledematen, gekraakte schedels, huidloze kinderen. De lijsten worden langer en langer, koeriers rennen af en aan om de papieren naar de departementen te brengen. Bij alle uitgangen naar de zandpaden, rond de heide staan tellers om bij te houden hoeveel slachtoffers op eigen beweging de roodgekleurde heide weten te verlaten. Na twee dagen loopt dat aantal significant terug.

Als ook de dagjesmensen de heide hebben gevonden is de chaos compleet. De ambtenaren verklaren klagend dat ze de telling verstoren, maar niemand lijkt echt naar hen te luisteren. Ordehandhavers worden opgetrommeld om de bezoeks in paden te leiden en de laatste slachtoffers de gelegenheid te geven naar de zandpaden te kunnen kruipen.

De wijzen hebben zich inmiddels teruggetrokken in het bos en hebben kamp opgeslagen. De stank is niet te harden daarom lopen ze rond met natte doeken voor hun mond en stoken ze kleine vuurjes, waar zij geurige kruiden inwerpen. Mismoedig kijken ze naar de voorbijtrekkende rijen dagjesmensen. Ook zij worden geteld door ijverig schrijvende ambtenaren.

Het beeld in compleet. We hebben een incident met veel slachtoffers, en een zich terugtrekkend IJkwezen: de ijkmeesters nemen slechts waar wat er aan gruwelijkheden geschiedt, maar nemen geen verantwoordelijkheid voor de gevolgen. De hulpdiensten falen. En het volk komt er op af om te aanschouwen.

(...)